TUCHT - BEWIJS
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting betwist klager dat hij de ATV-kaartjes eraf gehaald heeft. Hij zou niet weten hoe hij dit gedaan zou hebben, aangezien ze aan de buitenkant hangen. Ter tuchtzitting stelt de directie dat dit bijvoorbeeld ter gelegenheid van het douchen zou kunnen gebeurd zijn. In de motivering van de tuchtbeslissing herhaalt de directie dat klager de feiten betwist, maar argumenteert dat het aanwezige personeel formeel is over wat ze vastgesteld hadden.
De klachtencommissie meent dat de directie onvoldoende motiveert waarom ze geen geloof hecht aan klager zijn betwisting. Louter verwijzen naar het gegeven dat het personeel formeel is over wat ze vastgesteld heeft, is volgens de klachtencommissie in het voorliggend dossier onvoldoende. Hetgeen het aanwezige personeel vastgesteld heeft is immers te herleiden tot het tot tweemaal toe verdwijnen van de ATV-kaartjes. Dat dit door toedoen van klager was, betreft een loutere veronderstelling vanwege de beambte die het RAD opstelde, waarvoor geen enkel objectief element wordt aangehaald dat dit kan staven. Het is bijvoorbeeld niet zo dat de beambte dit visueel heeft vastgesteld. Enkel de verdwijning van het kaartje werd vastgesteld.
Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de tuchtbeslissing dan ook niet aan artikel 144 §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet, nu de directie niet motiveert waarom ze klager schuldig acht aan de hem ten laste gelegde feiten. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hierover niets aangaf.
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting betwist klager dat hij de ATV-kaartjes eraf gehaald heeft. Hij zou niet weten hoe hij dit gedaan zou hebben, aangezien ze aan de buitenkant hangen. Ter tuchtzitting stelt de directie dat dit bijvoorbeeld ter gelegenheid van het douchen zou kunnen gebeurd zijn. In de motivering van de tuchtbeslissing herhaalt de directie dat klager de feiten betwist, maar argumenteert dat het aanwezige personeel formeel is over wat ze vastgesteld hadden.
De klachtencommissie meent dat de directie onvoldoende motiveert waarom ze geen geloof hecht aan klager zijn betwisting. Louter verwijzen naar het gegeven dat het personeel formeel is over wat ze vastgesteld heeft, is volgens de klachtencommissie in het voorliggend dossier onvoldoende. Hetgeen het aanwezige personeel vastgesteld heeft is immers te herleiden tot het tot tweemaal toe verdwijnen van de ATV-kaartjes. Dat dit door toedoen van klager was, betreft een loutere veronderstelling vanwege de beambte die het RAD opstelde, waarvoor geen enkel objectief element wordt aangehaald dat dit kan staven. Het is bijvoorbeeld niet zo dat de beambte dit visueel heeft vastgesteld. Enkel de verdwijning van het kaartje werd vastgesteld.
Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de tuchtbeslissing dan ook niet aan artikel 144 §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet, nu de directie niet motiveert waarom ze klager schuldig acht aan de hem ten laste gelegde feiten. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hierover niets aangaf.