TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING - SANCTIE
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting betwist klager dat hij de deur heeft dichtgegooid. Hij heeft deze rustig dicht gedaan en de arm van de beambte zat er niet tussen. Een loutere ontkenning van de feiten maakt volgens de klachtencommissie nog geen overtuigend element uit. De klachtencommissie meent niet dat de directie enige verklaring voor de afwezigheid van andere beambten dan de opsteller van het RAD had moeten opnemen in de motivering van de tuchtbeslissing en kan op dit vlak dan ook geen onregelmatigheid vaststellen. De klachtencommissie meent niet dat er sprake is van schending van de motiveringsplicht daar waar de directie in de motivering niet vermeldt dat ze geen camerabeelden bekeken heeft. Uit het verslag van de tuchtzitting blijkt ook dat het voor klager en zijn advocaat duidelijk is dat die beelden er niet zijn. De klachtencommissie meent niet dat de directie enige verklaring over het niet werken van de camera’s had moeten opnemen in de motivering van de tuchtbeslissing en kan op dit vlak dan ook geen onregelmatigheid vaststellen. De klachtencommissie meent niet dat er sprake is van schending van de motiveringsplicht daar waar de directie in de motivering niet vermeldt dat ze geen voorlopige maatregel genomen heeft, noch wat hiervoor de redenen zouden zijn geweest. De klachtencommissie beklemtoont dat het niet nemen van een voorlopige maatregel geen bewijs vormt van het ontbreken van enige vorm van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid, nu het opleggen van een voorlopige maatregel in dergelijk geval een mogelijkheid en géén verplichting betreft. De klachtencommissie besluit dat het weerhouden van de inbreuk van de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) niet vereist dat er bewijs wordt geleverd van enig fysiek letsel aan de hand van medische vaststellingen, zeker niet nu de directie in de motivering van de tuchtbeslissing ook niet beweert dat er sprake is van enig fysiek letsel. Er wordt enkel beschreven dat de beambte met haar arm tussen de deur zat. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte op basis van het duidelijk opgesteld RAD. Bovendien betwistte klager enkel de feiten inzake het dichtgooien van de deur. De overige vaststellingen inzake de bedreigingen en beledigingen werden niet betwist.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificaties correct zijn en afdoende gemotiveerd werden.
Klager pleegde twee inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg 30 dagen ATV. De advocaat voert aan dat het opleggen van de maximumsanctie niet gemotiveerd werd. De klachtencommissie stelt vast dat de directie in de motivering zowel de ernst van de inbreuk als de nultolerantie die zij hiervoor hanteert benadrukt heeft, evenals de omstandigheden heeft toegelicht waarin de inbreuk plaatsvond, waarna ze concludeert dat al deze elementen de maximale sanctie rechtvaardigen. De klachtencommissie oordeelt dan ook dat de keuze voor de opgelegde sanctie afdoende gemotiveerd werd. De klachtencommissie besluit dat de sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting betwist klager dat hij de deur heeft dichtgegooid. Hij heeft deze rustig dicht gedaan en de arm van de beambte zat er niet tussen. Een loutere ontkenning van de feiten maakt volgens de klachtencommissie nog geen overtuigend element uit. De klachtencommissie meent niet dat de directie enige verklaring voor de afwezigheid van andere beambten dan de opsteller van het RAD had moeten opnemen in de motivering van de tuchtbeslissing en kan op dit vlak dan ook geen onregelmatigheid vaststellen. De klachtencommissie meent niet dat er sprake is van schending van de motiveringsplicht daar waar de directie in de motivering niet vermeldt dat ze geen camerabeelden bekeken heeft. Uit het verslag van de tuchtzitting blijkt ook dat het voor klager en zijn advocaat duidelijk is dat die beelden er niet zijn. De klachtencommissie meent niet dat de directie enige verklaring over het niet werken van de camera’s had moeten opnemen in de motivering van de tuchtbeslissing en kan op dit vlak dan ook geen onregelmatigheid vaststellen. De klachtencommissie meent niet dat er sprake is van schending van de motiveringsplicht daar waar de directie in de motivering niet vermeldt dat ze geen voorlopige maatregel genomen heeft, noch wat hiervoor de redenen zouden zijn geweest. De klachtencommissie beklemtoont dat het niet nemen van een voorlopige maatregel geen bewijs vormt van het ontbreken van enige vorm van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid, nu het opleggen van een voorlopige maatregel in dergelijk geval een mogelijkheid en géén verplichting betreft. De klachtencommissie besluit dat het weerhouden van de inbreuk van de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) niet vereist dat er bewijs wordt geleverd van enig fysiek letsel aan de hand van medische vaststellingen, zeker niet nu de directie in de motivering van de tuchtbeslissing ook niet beweert dat er sprake is van enig fysiek letsel. Er wordt enkel beschreven dat de beambte met haar arm tussen de deur zat. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte op basis van het duidelijk opgesteld RAD. Bovendien betwistte klager enkel de feiten inzake het dichtgooien van de deur. De overige vaststellingen inzake de bedreigingen en beledigingen werden niet betwist.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificaties correct zijn en afdoende gemotiveerd werden.
Klager pleegde twee inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg 30 dagen ATV. De advocaat voert aan dat het opleggen van de maximumsanctie niet gemotiveerd werd. De klachtencommissie stelt vast dat de directie in de motivering zowel de ernst van de inbreuk als de nultolerantie die zij hiervoor hanteert benadrukt heeft, evenals de omstandigheden heeft toegelicht waarin de inbreuk plaatsvond, waarna ze concludeert dat al deze elementen de maximale sanctie rechtvaardigen. De klachtencommissie oordeelt dan ook dat de keuze voor de opgelegde sanctie afdoende gemotiveerd werd. De klachtencommissie besluit dat de sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/26-0173 opgestart