TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT - RECHTEN VAN VERDEDIGING
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Klager voert in zijn klacht aan dat hij zich niet heeft kunnen verdedigen ter tuchtzitting omdat hij op uitgaansvergunning was. De klachtencommissie wijst erop dat de Basiswet en de CB nr. 124 de nadruk leggen op de hoorplicht enerzijds en het recht op bijstand door een advocaat anderzijds. De Basiswet noch de CB nr. 124 spreken over vertegenwoordiging door de advocaat. De klachtencommissie is echter van oordeel dat dit niet uitgesloten is.
De klachtencommissie acht het betreurenswaardig dat de tuchtzitting werd ingepland op een dag waarvan de directie wist of had kunnen weten dat klager niet aanwezig zou zijn. Ze treedt de directie echter bij in de redenering dat het dan aan klager zelf of zijn advocaat is om hieromtrent iets op te werpen. De advocaat van klager kon hetzij ter gelegenheid van de uitnodiging om een uitstel vragen, hetzij dit bij aanvang van de zitting aankaarten. De klachtencommissie leest in het verslag van de tuchtzitting dat de advocaat meteen inhoudelijke argumenten aanbracht, waardoor de directie er volgens de klachtencommissie redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat klager toestemming had gegeven voor een vertegenwoordiging. De klachtencommissie kan dan ook geen schending van de rechten van verdediging vaststellen op dit punt.
Volgens de klachtencommissie bracht de advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet).
De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg 14 dagen ATV. De klachtencommissie oordeelt dat de sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Klager voert in zijn klacht aan dat hij zich niet heeft kunnen verdedigen ter tuchtzitting omdat hij op uitgaansvergunning was. De klachtencommissie wijst erop dat de Basiswet en de CB nr. 124 de nadruk leggen op de hoorplicht enerzijds en het recht op bijstand door een advocaat anderzijds. De Basiswet noch de CB nr. 124 spreken over vertegenwoordiging door de advocaat. De klachtencommissie is echter van oordeel dat dit niet uitgesloten is.
De klachtencommissie acht het betreurenswaardig dat de tuchtzitting werd ingepland op een dag waarvan de directie wist of had kunnen weten dat klager niet aanwezig zou zijn. Ze treedt de directie echter bij in de redenering dat het dan aan klager zelf of zijn advocaat is om hieromtrent iets op te werpen. De advocaat van klager kon hetzij ter gelegenheid van de uitnodiging om een uitstel vragen, hetzij dit bij aanvang van de zitting aankaarten. De klachtencommissie leest in het verslag van de tuchtzitting dat de advocaat meteen inhoudelijke argumenten aanbracht, waardoor de directie er volgens de klachtencommissie redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat klager toestemming had gegeven voor een vertegenwoordiging. De klachtencommissie kan dan ook geen schending van de rechten van verdediging vaststellen op dit punt.
Volgens de klachtencommissie bracht de advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet).
De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg 14 dagen ATV. De klachtencommissie oordeelt dat de sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.