Ga verder naar de inhoud

KC16/22-0079

Ongegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Tucht
TUCHT

Klager meent dat een celcontrole een huiszoeking is en bijgevolg onderworpen is aan de wettelijke bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering, met inbegrip van het verbod op huiszoekingen tussen 21u en 5u. De celcontrole werd uitgevoerd op basis van een positieve meting tijdens de gsm-sweeping en niet op basis van een mandaat van de onderzoeksrechter. Er was dus geen sprake van een huiszoeking waardoor de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering ook niet van toepassing zijn. De Raad van State heeft in die zin reeds geoordeeld dat art. 109 van de Basiswet geen verplichting oplegt om aan de gedetineerde een individueel mandaat voorafgaand aan de celcontrole mede te delen waarbij de redenen voor de celcontrole worden vermeld, zoals dat wel het geval is bij een huiszoekingsbevel afgeleverd door de onderzoeksrechter. Artikel 109 van de Basiswet voorziet dat de leden van het bewakingspersoneel overeenkomstig de richtlijnen van het inrichtingshoofd de algemene bevoegdheid hebben om een celcontrole uit te voeren. Uit de eerste paragraaf volgt dat de verblijfsruimte van de gedetineerden “geregeld” kan worden onderzocht, wat haaks staat op het idee dat een celcontrole enkel kan gebeuren indien hiervoor specifieke aanwijzingen bestaan. De klachtencommissie besluit dat de celcontrole en de aansluitende tuchtprocedure wettig is verlopen. De klacht is ongegrond.