Ga verder naar de inhoud

KC16/23-0091

Gegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Tucht
TUCHT - MOTIVERING - CAMERABEELDEN

De klacht betreft de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis.

Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgemaakt voor klager door de toezichthouder van de wandeling. Opsteller zou gezien hebben hoe klager een gedetineerde een slag in het aangezicht gaf waardoor deze achterover viel. Hij stond terug recht en kreeg even later opnieuw een slag in het gezicht van een andere gedetineerde. Ondertussen had opsteller alarm gedrukt en waren de collega’s op tijd om het niet verder te laten escaleren.

De directeur nam kennis van het RAD en besliste om klager op voorlopige maatregel te zetten in afwachting van de tuchtrechtelijke hoorzitting. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkende klager dat hij een medegedetineerde heeft geslagen. Die gedetineerde was in een discussie met een andere gedetineerde en klager stond er gewoon bij. Daarop antwoordde de directeur dat de camerabeelden werden bekeken en deze beelden duidelijk zijn. Klager kan dit blijven ontkennen maar er was vast een intentie om hem te slaan, dat is duidelijk. Klager sluit af door te stellen dat hij niet ontkent dat er een intentie was om te slaan.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd met een algemene tuchtsanctie van zeven dagen ATV wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee, een inbreuk van eerste categorie (en het niet-naleven van het huishoudelijk reglement, een inbreuk van tweede categorie). Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de
samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden. De tuchtsanctie is bijgevolg wettig en niet onredelijk of onbillijk.


De klachtencommissie stelt vast dat de motivering van de tuchtbeslissing verwarring schept en niet overeenkomt met de vaststellingen uit het RAD, de camerabeelden en de verklaringen van de directeur tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en de zitting van de klachtencommissie. In eerste instantie werden de vaststellingen van het RAD al weerlegd door de camerabeelden, camerabeelden die, op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting, wel degelijk voorafgaand aan de
tuchtrechtelijke hoorzitting werden geconsulteerd. In het RAD is er sprake dat klager de eerste was die een slag in het aangezicht uitdeelde, waarna het slachtoffer achterover viel en vervolgens een andere gedetineerde nog een tweede slag gaf. Op de camerabeelden was duidelijk zichtbaar hoe klager aan de kant stond, met zijn handen in zijn zakken, op het moment dat een gedetineerde de eerste slag gaf. Pas daarna ging klager zich moeien en haalde hij uit maar raakte het slachtoffer niet
omdat deze nog net kon uitwijken.

Hoewel de directie en klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en de zitting van de klachtencommissie het eens waren dat klager de intentie had om te slaan maar de gedetineerde niet had geraakt, wordt bovendien voor het eerst in de motivering van de tuchtbeslissing melding gemaakt van een duw die klager zou hebben gegeven aan het slachtoffer. Van deze “duw” is nergens sprake in het RAD, noch in het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting, nog was dit zichtbaar op de camerabeelden. Op basis van de camerabeelden, die in het licht van het recht op tegenspraak hadden moeten getoond worden aan klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, kon de directie in redelijkheid en billijkheid enkel de poging tot de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit bewezen verklaren in hoofde van klager. Dit werd echter niet vertaald in de motivering van de tuchtbeslissing. Om deze redenen is de klacht gedeeltelijk gegrond.