Ga verder naar de inhoud

KC16/24-0024

Gegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Voorlopige maatregel
VOORLOPIGE MAATREGEL - VERBODEN VOORWERPEN - MOTIVERING

De klacht is gericht tegen de beslissing van 05.02.2024 van de directie van de gevangenis van Leuven-Centraal om een voorlopige maatregel op te leggen.

De directeur besliste op 05.02.2024 om klager op voorlopige maatregel te plaatsen waardoor hij vanaf 16u15 en in afwachting van een tuchtprocedure, diende te verblijven in zijn cel (klager verbleef op dat moment in het opendeurregime) en uitgesloten was van deelname aan alle individuele en gemeenschappelijke activiteiten. De directeur meende immers dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast (1). De klachtencommissie is van oordeel dat de hierboven aangehaalde motivering van de voorlopige maatregel verwijst naar het bezit door klager van vermoedelijk verboden substanties, namelijk een hoeveelheid onbekende pillen. Bovendien werd na deze vondst in de cel van klager, in de brandkast op dezelfde sectie een hoeveelheid verboden voorwerpen en verboden substanties aangetroffen waaronder drie dezelfde zakjes met dezelfde soort van pillen. Bijgevolg begrijpt de klachtencommissie dat de directie op haar hoede was naar aanleiding van deze vondst. De vondst van de onbekende pillen maakte echter geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid uit. De interne veiligheid is immers een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding. In de motivering van de voorlopige maatregel wordt geen melding gemaakt dat de fysieke integriteit van het personeel of andere gedetineerden, noch de goede staat van goederen in het gevaar kwam. De klachtencommissie gaat er van uit dat de pillen ook werden afgenomen na de ontdekking ervan.

Nochtans had de directie op grond van dezelfde motivering een voorlopige maatregel kunnen nemen omdat zij vreesde voor de orde of de veiligheid (3). De klachtencommissie meent dat er een gevaar was voor de orde of de veiligheid door de vondst van de onbekende pillen in de cel van klager. De orde is immers de toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. In dat geval had men klager bepaalde voorwerpen kunnen ontnemen, had men klager kunnen uitsluiten van gemeenschappelijke of individuele activiteiten en had men klager zelfs kunnen observeren. Indien de situatie toch meer ingrijpende maatregelen vereiste, bijvoorbeeld omdat bleek dat klager onder invloed was of hij personen afperste, had men een nieuwe voorlopige maatregel kunnen nemen en kon men klager alsnog toewijzen aan zijn verblijfsruimte.
De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel werd opgelegd in strijd met de Basiswet. Om deze reden is deze klacht kennelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de voorlopige maatregel van 05.02.2024.