KC16/24-0029
Ongegrond
Gegrond
KC - Leuven Centraal
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - TUCHT - PUNTENSYSTEEM - HUISHOUDELIJK REGLEMENT -MOTIVERING
De klacht is gericht tegen de voorlopige maatregel van 06.02.2024, de tuchtbeslissing van 08.02.2024 en de tien punten die opgelegd werden naar aanleiding van de tuchtbeslissing door de directie van de gevangenis van Leuven-Centraal.
Wat betreft de voorlopige maatregel van 06.02.2024:
De directeur besliste op 06.02.2024 (in de bestreden beslissing staat 06.01.2024) om klager op voorlopige maatregel te plaatsen waardoor hij vanaf 11u15 en in afwachting van een tuchtprocedure, diende te verblijven in zijn cel (klager verbleef op dat moment in het opendeurregime) en uitgesloten was van deelname aan alle individuele en gemeenschappelijke activiteiten. De directeur meende immers dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast (1).
De voorlopige maatregel werd opgelegd naar aanleiding van een rapport aan de directeur (RAD) van 06.02.2024. Uit het RAD blijkt dat klager een beambte zou hebben aangesproken met: dikke paljas, wacht maar tot ik u buiten tegenkom, dan is het gedaan met lachen. De klachtencommissie begrijpt dat de directie op haar hoede was naar aanleiding van deze uitspraak maar noch uit dit rapport, noch uit de motivering van de voorlopige maatregel blijkt dat klager na deze uitspraak agressief werd of dreigend bleef tegenover het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat de geuite bedreiging geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne
veiligheid uitmaakte.
Nochtans had de directie op grond van dezelfde motivering een voorlopige maatregel kunnen nemen omdat zij vreesde voor de orde of de veiligheid (3). De klachtencommissie meent dat er een gevaar was voor de orde of de veiligheid door de uitspraak van klager. De orde is immers de toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. In dat geval had men klager bepaalde voorwerpen kunnen ontnemen, had men klager kunnen uitsluiten van gemeenschappelijke of individuele activiteiten en had men klager zelfs kunnen observeren. Indien de situatie toch meer ingrijpende maatregelen vereiste, had men een nieuwe voorlopige maatregel kunnen nemen en kon men klager alsnog toewijzen aan zijn verblijfsruimte. De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel werd opgelegd in strijd met de Basiswet. Om deze reden is deze klacht kennelijk gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing van 08.02.2024:
Wegens de hierboven geciteerde bedreiging tegenover een personeelslid, werd klager gesanctioneerd voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van eerste categorie. De directie nam op 07.02.2024 kennis van het RAD van 06.02.2024. Klager werd uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van 08.02.2024 maar deed afstand van zijn recht om gehoord te worden.
De klachtencommissie meent dat het rapport duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD ook ondertekend door twee getuigen. De klachtencommissie stelt daarnaast vast dat klager niet de behoefte had om zich te verdedigen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV (en geen tien dagen zoals de directie stelde in haar verweer). Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden.
De tuchtsanctie was bijgevolg wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst van de uitspraak en het uitgebreid tuchtrechtelijk verleden van klager. Om deze redenen is de klachtkennelijk ongegrond.
Wat betreft de beslissing tot het opleggen van tien punten:
Ingevolge de tuchtbeslissing van 08.02.2024 kreeg klager tien punten toegekend. De directie van de gevangenis van Leuven - centraal blijft bij haar initieel standpunt dat de toekenning van punten geen individuele beslissing van de directeur uitmaakt maar louter een administratieve en automatische toepassing is van het reglement basisregime. Dat standpunt werd voor 13 juli 2023 ook gedeeld door de beroepscommissie. De klachtencommissie heeft hierover steeds een ander standpunt gehad. In de eerste plaats stelt de klachtencommissie vast dat het puntenbriefje in casu, nl. het document dat aan de gedetineerde wordt afgegeven en dat vermeldt hoeveel punten er werden toegekend ingevolge de tuchtbeslissing en hoeveel het nieuwe puntensaldo bedraagt, ondertekend werd door de directie. De klachtencommissie concludeert hieruit dat de toekenning van punten alvast een beslissing is die genomen wordt door de directie.
De klachtencommissie besluit dat de directie een individuele beslissing ten aanzien van klager nam door de regels van het huishoudelijk reglement, in casu het puntensysteem uit bijlage 3 bij het huishoudelijk reglement, toe te passen op klager.12 De klachtencommissie stelt vast dat klager zich door de toekenning van punten geraakt voelt in zijn individuele detentiesituatie. De klacht is tijdig ingediend en nauwkeurig omschreven. De klacht is ontvankelijk.
De klachtencommissie, hierin gesteund door de beroepscommissie, meent dat niet voldoende aandacht werd besteed aan de motivering van deze beslissing. Iedere gedetineerde krijgt hetzelfde puntenbriefje waar enkel de datum van de tuchtbeslissing en het aantal punten naderhand worden ingevuld. Deze mededeling is zeer algemeen en vaag en bevat geenszins de redenen waarom men tien punten toekent in plaats van vijf en waarom het noodzakelijk is in het kader van de orde en de
veiligheid dat klager, naast de tuchtsanctie, punten kreeg toegekend en meteen moet worden overgeplaatst naar het gesloten regime.
De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing niet afdoende was, in die zin dat ze de gedetineerde niet in staat stelde om de beslissing en de motieven die tot de beslissing geleid hebben, te begrijpen. De beslissing voldoet bijgevolg niet aan de vereiste zoals gesteld in artikel 8 van de Basiswet.
Om deze redenen is de klacht kennelijk gegrond. De beslissing tot toekenning van tien punten wordt vernietigd.
De klacht is gericht tegen de voorlopige maatregel van 06.02.2024, de tuchtbeslissing van 08.02.2024 en de tien punten die opgelegd werden naar aanleiding van de tuchtbeslissing door de directie van de gevangenis van Leuven-Centraal.
Wat betreft de voorlopige maatregel van 06.02.2024:
De directeur besliste op 06.02.2024 (in de bestreden beslissing staat 06.01.2024) om klager op voorlopige maatregel te plaatsen waardoor hij vanaf 11u15 en in afwachting van een tuchtprocedure, diende te verblijven in zijn cel (klager verbleef op dat moment in het opendeurregime) en uitgesloten was van deelname aan alle individuele en gemeenschappelijke activiteiten. De directeur meende immers dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast (1).
De voorlopige maatregel werd opgelegd naar aanleiding van een rapport aan de directeur (RAD) van 06.02.2024. Uit het RAD blijkt dat klager een beambte zou hebben aangesproken met: dikke paljas, wacht maar tot ik u buiten tegenkom, dan is het gedaan met lachen. De klachtencommissie begrijpt dat de directie op haar hoede was naar aanleiding van deze uitspraak maar noch uit dit rapport, noch uit de motivering van de voorlopige maatregel blijkt dat klager na deze uitspraak agressief werd of dreigend bleef tegenover het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat de geuite bedreiging geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne
veiligheid uitmaakte.
Nochtans had de directie op grond van dezelfde motivering een voorlopige maatregel kunnen nemen omdat zij vreesde voor de orde of de veiligheid (3). De klachtencommissie meent dat er een gevaar was voor de orde of de veiligheid door de uitspraak van klager. De orde is immers de toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. In dat geval had men klager bepaalde voorwerpen kunnen ontnemen, had men klager kunnen uitsluiten van gemeenschappelijke of individuele activiteiten en had men klager zelfs kunnen observeren. Indien de situatie toch meer ingrijpende maatregelen vereiste, had men een nieuwe voorlopige maatregel kunnen nemen en kon men klager alsnog toewijzen aan zijn verblijfsruimte. De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel werd opgelegd in strijd met de Basiswet. Om deze reden is deze klacht kennelijk gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing van 08.02.2024:
Wegens de hierboven geciteerde bedreiging tegenover een personeelslid, werd klager gesanctioneerd voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van eerste categorie. De directie nam op 07.02.2024 kennis van het RAD van 06.02.2024. Klager werd uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van 08.02.2024 maar deed afstand van zijn recht om gehoord te worden.
De klachtencommissie meent dat het rapport duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD ook ondertekend door twee getuigen. De klachtencommissie stelt daarnaast vast dat klager niet de behoefte had om zich te verdedigen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV (en geen tien dagen zoals de directie stelde in haar verweer). Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden.
De tuchtsanctie was bijgevolg wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst van de uitspraak en het uitgebreid tuchtrechtelijk verleden van klager. Om deze redenen is de klachtkennelijk ongegrond.
Wat betreft de beslissing tot het opleggen van tien punten:
Ingevolge de tuchtbeslissing van 08.02.2024 kreeg klager tien punten toegekend. De directie van de gevangenis van Leuven - centraal blijft bij haar initieel standpunt dat de toekenning van punten geen individuele beslissing van de directeur uitmaakt maar louter een administratieve en automatische toepassing is van het reglement basisregime. Dat standpunt werd voor 13 juli 2023 ook gedeeld door de beroepscommissie. De klachtencommissie heeft hierover steeds een ander standpunt gehad. In de eerste plaats stelt de klachtencommissie vast dat het puntenbriefje in casu, nl. het document dat aan de gedetineerde wordt afgegeven en dat vermeldt hoeveel punten er werden toegekend ingevolge de tuchtbeslissing en hoeveel het nieuwe puntensaldo bedraagt, ondertekend werd door de directie. De klachtencommissie concludeert hieruit dat de toekenning van punten alvast een beslissing is die genomen wordt door de directie.
De klachtencommissie besluit dat de directie een individuele beslissing ten aanzien van klager nam door de regels van het huishoudelijk reglement, in casu het puntensysteem uit bijlage 3 bij het huishoudelijk reglement, toe te passen op klager.12 De klachtencommissie stelt vast dat klager zich door de toekenning van punten geraakt voelt in zijn individuele detentiesituatie. De klacht is tijdig ingediend en nauwkeurig omschreven. De klacht is ontvankelijk.
De klachtencommissie, hierin gesteund door de beroepscommissie, meent dat niet voldoende aandacht werd besteed aan de motivering van deze beslissing. Iedere gedetineerde krijgt hetzelfde puntenbriefje waar enkel de datum van de tuchtbeslissing en het aantal punten naderhand worden ingevuld. Deze mededeling is zeer algemeen en vaag en bevat geenszins de redenen waarom men tien punten toekent in plaats van vijf en waarom het noodzakelijk is in het kader van de orde en de
veiligheid dat klager, naast de tuchtsanctie, punten kreeg toegekend en meteen moet worden overgeplaatst naar het gesloten regime.
De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing niet afdoende was, in die zin dat ze de gedetineerde niet in staat stelde om de beslissing en de motieven die tot de beslissing geleid hebben, te begrijpen. De beslissing voldoet bijgevolg niet aan de vereiste zoals gesteld in artikel 8 van de Basiswet.
Om deze redenen is de klacht kennelijk gegrond. De beslissing tot toekenning van tien punten wordt vernietigd.