KC16/24-0050
Ongegrond
Gegrond
KC - Leuven Centraal
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Tucht
TUCHT - PUNTENSYSTEEM - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - MOTIVERING
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 23.02.2024 en de drie punten die ingevolge deze tuchtbeslissing werden opgelegd.
Wat betreft de tuchtbeslissing van 23.02.2024:
Klager werd op 21.02.2024 uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van 23.02.2024. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager toegaf dat hij in de fitnessruimte aanwezig was terwijl hij wist dat hij daar niet mocht zijn. Hij was binnengeroepen door een medegedetineerde met de vraag om te voetballen. Gelet op zijn bekentenis, is de klachtencommissie van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de
tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. Klager meent dat hij in vergelijking met een andere gedetineerde, zwaarder werd gesanctioneerd.
De directeur legde een bijzondere tuchtsanctie op in de vorm van een verbod van deelname aan de fitness gedurende zeven dagen. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen. Bovendien is er een verband tussen de feiten en de opgelegde sanctie zodat de bijzondere tuchtsanctie een spiegelende sanctie is. Daarnaast bepaalde de directeur in de tuchtbeslissing dat de voorwaardelijke sanctie uitgesproken bij tuchtbeslissing van 05.12.2023, werd herroepen. Bijgevolg werden de drie dagen ATV effectief. Eerst werden de drie dagen ATV uitgevoerd en daarna de zeven dagen fitnessverbod.
Opeenvolgende of gecombineerde sancties zijn in principe niet verboden. De tuchtsanctie was wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was. Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond.
Wat betreft de drie punten:
Ingevolge de tuchtbeslissing van 23.02.2024 kreeg klager drie punten toegekend.
Op het puntenbriefje dat klager ontving, staat: “De directie meldt u dat, ten gevolge van de beslissing van de tuchtsanctie 23.02.2024, 3 punten werden bijgeteld aan uw saldo met betrekking tot het basisregime. Uw saldo bedraagt momenteel 3 punten. Bij een score van 10 punten wordt automatisch tot een overplaatsing naar het basisregime besloten.“ De klachtencommissie, hierin gesteund door de beroepscommissie, meent dat niet voldoende aandacht werd besteed aan de motivering van deze beslissing. Iedere gedetineerde krijgt hetzelfde puntenbriefje waar enkel de datum van de tuchtbeslissing en het aantal punten naderhand worden ingevuld. Deze mededeling is zeer algemeen en vaag en bevat geenszins de redenen waarom men een bepaald aantal punten toekent en waarom het noodzakelijk is in het kader van de orde en de veiligheid dat klager, naast de tuchtsanctie, drie punten kreeg toegekend. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing niet afdoende was, in die zin dat ze de gedetineerde niet in staat stelde om de beslissing en de motieven die tot de beslissing geleid hebben, te begrijpen. De beslissing voldoet bijgevolg niet aan de vereiste zoals gesteld in artikel 8 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht kennelijk gegrond.
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 23.02.2024 en de drie punten die ingevolge deze tuchtbeslissing werden opgelegd.
Wat betreft de tuchtbeslissing van 23.02.2024:
Klager werd op 21.02.2024 uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van 23.02.2024. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager toegaf dat hij in de fitnessruimte aanwezig was terwijl hij wist dat hij daar niet mocht zijn. Hij was binnengeroepen door een medegedetineerde met de vraag om te voetballen. Gelet op zijn bekentenis, is de klachtencommissie van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de
tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. Klager meent dat hij in vergelijking met een andere gedetineerde, zwaarder werd gesanctioneerd.
De directeur legde een bijzondere tuchtsanctie op in de vorm van een verbod van deelname aan de fitness gedurende zeven dagen. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen. Bovendien is er een verband tussen de feiten en de opgelegde sanctie zodat de bijzondere tuchtsanctie een spiegelende sanctie is. Daarnaast bepaalde de directeur in de tuchtbeslissing dat de voorwaardelijke sanctie uitgesproken bij tuchtbeslissing van 05.12.2023, werd herroepen. Bijgevolg werden de drie dagen ATV effectief. Eerst werden de drie dagen ATV uitgevoerd en daarna de zeven dagen fitnessverbod.
Opeenvolgende of gecombineerde sancties zijn in principe niet verboden. De tuchtsanctie was wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was. Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond.
Wat betreft de drie punten:
Ingevolge de tuchtbeslissing van 23.02.2024 kreeg klager drie punten toegekend.
Op het puntenbriefje dat klager ontving, staat: “De directie meldt u dat, ten gevolge van de beslissing van de tuchtsanctie 23.02.2024, 3 punten werden bijgeteld aan uw saldo met betrekking tot het basisregime. Uw saldo bedraagt momenteel 3 punten. Bij een score van 10 punten wordt automatisch tot een overplaatsing naar het basisregime besloten.“ De klachtencommissie, hierin gesteund door de beroepscommissie, meent dat niet voldoende aandacht werd besteed aan de motivering van deze beslissing. Iedere gedetineerde krijgt hetzelfde puntenbriefje waar enkel de datum van de tuchtbeslissing en het aantal punten naderhand worden ingevuld. Deze mededeling is zeer algemeen en vaag en bevat geenszins de redenen waarom men een bepaald aantal punten toekent en waarom het noodzakelijk is in het kader van de orde en de veiligheid dat klager, naast de tuchtsanctie, drie punten kreeg toegekend. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing niet afdoende was, in die zin dat ze de gedetineerde niet in staat stelde om de beslissing en de motieven die tot de beslissing geleid hebben, te begrijpen. De beslissing voldoet bijgevolg niet aan de vereiste zoals gesteld in artikel 8 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht kennelijk gegrond.