TUCHT - HUISHOUDELIJK REGLEMENT
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 07.03.2024, opgelegd door de directie van de gevangenis van Leuven-Centraal.
De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd op 07.03.2024 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen en het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden, allebei tuchtinbreuken van tweede categorie, naar aanleiding van feiten die werden meegedeeld in twee rapporten van 04.03.2024.
Op 04.03.2024 werd een RAD opgesteld omdat opsteller en haar twee collega’s hadden vastgesteld dat klager was gaan fitnessen terwijl er nog een lopend fitnessverbod was ingevolge de tuchtbeslissing van 23.02.2024. Klager had gebruik gemaakt van de onwetendheid van een andere collega. Klager ging hier vervolgens over in discussie. Later die dag werd nog een tweede RAD opgemaakt omdat klager aan het winket van een medegedetineerde stond te praten die in ATV zat.
De directie nam op 05.03.2024 kennis van beide rapporten en besliste om een tuchtprocedure op te starten.
Klager werd op 07.03.2024, met bijstand van een advocaat, gehoord door de directie. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager erkende dat hij in de fitness aanwezig was terwijl hij daar niet mocht zijn gelet op zijn lopende sanctie. Klager zou zich hebben vergist in de berekening van de tuchtsanctie. Gelet op zijn bekentenis, is de klachtencommissie van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De klachtencommissie stelt vast dat in de tuchtbeslissing ook het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen werd weerhouden. In de motivering van de tuchtbeslissing werd niet vermeld welke bepaling van het huishoudelijk reglement klager zou hebben geschonden. De klachtencommissie is van oordeel dat dit ook niet afgeleid kan worden uit het tuchtdossier. Een gedetineerde moet nochtans kunnen begrijpen welke motieven de keuze en de maat van de sanctie hebben bepaald. Deze tuchtrechtelijke inbreuk kan bovendien enkel aan de gedetineerde ten laste worden gelegd als de overtreden ‘regel’ een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement. Deze tuchtinbreuk kan niet dienen als een soort van vangnetbepaling. Anders oordelen zou immers strijdig zijn met het principe dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken dan omschreven door de Basiswet. Om deze redenen is de klacht kennelijk gedeeltelijk gegrond.
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 07.03.2024, opgelegd door de directie van de gevangenis van Leuven-Centraal.
De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd op 07.03.2024 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen en het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden, allebei tuchtinbreuken van tweede categorie, naar aanleiding van feiten die werden meegedeeld in twee rapporten van 04.03.2024.
Op 04.03.2024 werd een RAD opgesteld omdat opsteller en haar twee collega’s hadden vastgesteld dat klager was gaan fitnessen terwijl er nog een lopend fitnessverbod was ingevolge de tuchtbeslissing van 23.02.2024. Klager had gebruik gemaakt van de onwetendheid van een andere collega. Klager ging hier vervolgens over in discussie. Later die dag werd nog een tweede RAD opgemaakt omdat klager aan het winket van een medegedetineerde stond te praten die in ATV zat.
De directie nam op 05.03.2024 kennis van beide rapporten en besliste om een tuchtprocedure op te starten.
Klager werd op 07.03.2024, met bijstand van een advocaat, gehoord door de directie. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager erkende dat hij in de fitness aanwezig was terwijl hij daar niet mocht zijn gelet op zijn lopende sanctie. Klager zou zich hebben vergist in de berekening van de tuchtsanctie. Gelet op zijn bekentenis, is de klachtencommissie van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De klachtencommissie stelt vast dat in de tuchtbeslissing ook het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen werd weerhouden. In de motivering van de tuchtbeslissing werd niet vermeld welke bepaling van het huishoudelijk reglement klager zou hebben geschonden. De klachtencommissie is van oordeel dat dit ook niet afgeleid kan worden uit het tuchtdossier. Een gedetineerde moet nochtans kunnen begrijpen welke motieven de keuze en de maat van de sanctie hebben bepaald. Deze tuchtrechtelijke inbreuk kan bovendien enkel aan de gedetineerde ten laste worden gelegd als de overtreden ‘regel’ een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement. Deze tuchtinbreuk kan niet dienen als een soort van vangnetbepaling. Anders oordelen zou immers strijdig zijn met het principe dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken dan omschreven door de Basiswet. Om deze redenen is de klacht kennelijk gedeeltelijk gegrond.