Ga verder naar de inhoud

KC16/24-0068

Gegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Andere beslissing directeur
VORMING - TERMIJN

Klager heeft een klacht ingediend omdat de directie aan klager, in tegenstelling tot andere gedetineerden, geen beperkte toegang tot internet in het kader van zijn studie aan de Open Universiteit wil verlenen desondanks er een vonnis van de kortgedingrechter van Leuven is. Volgens de directie moet klager ook maar een kort geding aanspannen. De directie verklaart in haar verweer dat zij op 27.02.2024 mondeling aan klager heeft toegelicht dat zij niet ingaat op de vraag van klager. De directie meent dat de klacht bijgevolg laattijdig werd ingediend. De klachtencommissie is echter van oordeel dat bij gebreke aan een schriftelijke beslissing waarin de termijn en modaliteiten om een klacht in te dienen, staan vermeld, klager niet verweten kan worden dat hij pas op 15.03.2024 een klacht indiende. De klacht is bijgevolg wel degelijk ontvankelijk.

De klachtencommissie nam kennis van twee uitspraken van de burgerlijke rechtbank van de rechtbank van eerste aanleg van Leuven van 23.11.2021. De rechtbank heeft in deze dossiers beslist dat in een daartoe geschikte ruimte in de gevangenis, digitale toegang tot het leerplatform met alle daaraan verbonden functionaliteiten van de universiteit in kwestie moest voorzien worden voor de eisers, en dit onder toezicht van personeel van de gevangenis. Bovendien moest aan de eisers de mogelijkheid gegeven worden om lessen, cursusmateriaal en voor de opleiding noodzakelijke software op te laden op een informatiedrager, zodat de gedetineerden ook de mogelijkheid hadden om deze informatie achteraf offline te raadplegen.

De klachtencommissie is door eerdere klachtendossiers op de hoogte dat minstens twee gedetineerden in de gevangenis van Leuven centraal gebruik maken van bovenstaande faciliteiten. Uit de klacht van klager blijkt dat ook klager op de hoogte was van bovenstaande rechtspraak. Klager verklaart zelf ook te studeren aan de Open Universiteit en de KU Leuven. De klachtencommissie stelt vast dat de directie dit niet betwist. In casu blijkt dat klager aan de directie heeft gevraagd om ook gebruik te mogen maken van deze faciliteiten. Volgens klager heeft hij dit meermaals gevraagd aan de directie en voor het laatst, schriftelijk, op 13.03.2024. Volgens klager ontving hij geen antwoord op zijn schrijven.

De klachtencommissie is in de eerste plaats van oordeel dat het onredelijk en onbillijk is om klager verschillend te behandelen en hem dus niet dezelfde faciliteiten te verlenen, in vergelijking met de gedetineerden die zich in een zelfde situatie bevinden als klager, louter omwille van de omstandigheid dat klager niet naar de rechter is gestapt en desondanks de directie op de hoogte is van de uniforme rechtspraak van diezelfde rechtbank in zes gelijkaardige dossiers. Daarenboven meent de klachtencommissie dat de beslissing van de directie ook onwettig was gelet op de redenering van de burgerlijke rechtbank van de rechtbank van eerste aanleg van Leuven. Deze rechtspraak bevestigt dat gedetineerden aanspraak maken op de rechten en vrijheden bepaald in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). In de vonnissen van 23.11.2021 is bepaald dat het volledig ontzeggen van informatiemogelijkheden en een onderwijsaanbod geen deel mag uitmaken van de straf van vrijheidsberoving.

De klachtencommissie onderschrijft echter ook de noodzaak om het recht tot toegang tot het internet voor opleidingsdoeleinden in een gevangenisomgeving te beperken in het kader van de orde en de veiligheid. Deze beperkingen moeten echter wettelijk en proportioneel zijn. De klachtencommissie stelt aan de hand van de vonnissen vast dat de hierboven beschreven faciliteiten zelf werden voorgesteld door de penitentiaire administratie tijdens de procedure voor de burgerlijke rechter. De rechter beschouwde de voorgestelde regeling als een gerechtvaardigde beperking op artikel 10 EVRM en heeft de regeling zodoende ook opgelegd opdat eisers hun fundamentele rechten gevrijwaard bleven. De klachtencommissie besluit daarom dat de beslissing van de directie om klager geen toegang te verlenen tot de opgelegde faciliteiten, een ongerechtvaardigde beperking is op artikel 10 EVRM, een in de gevangenis bindende bepaling van een in Belgiƫ geldend verdrag.

Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie zegt dat haar uitspraak in de plaats treedt en beslist dat klager in een daartoe geschikte ruimte in de gevangenis, ook digitale toegang tot het leerplatform met alle daaraan verbonden functionaliteiten van de universiteit in kwestie, verleend wordt, en dit onder toezicht van personeel van de gevangenis. Bovendien wordt aan klager de mogelijkheid gegeven om lessen, cursusmateriaal en voor de opleiding noodzakelijke software op te laden op een informatiedrager, zodat hij ook de mogelijkheid heeft om deze informatie achteraf offline te raadplegen.