Ga verder naar de inhoud

KC16/25-0069

Ongegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT

Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel en tuchtbeslissing. Hij meent dat hij niet de enige is die aan het eten was op de wandeling. De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden, een tuchtinbreuk van tweede categorie.

De klachtencommissie is enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat de RAD’s duidelijk werden opgesteld. Bovendien was er telkens één getuige van de feiten. De klachtencommissie stelt vast dat klager de feiten niet ontkent. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting haalde klager aan dat één van de opstellers hem viseert maar klager onderbouwt dit verder niet. De klachtencommissie merkt daarnaast op dat klager zich tijdens de hoorzitting negatief en respectloos uitlaat over het betrokken personeel. Hij beschuldigt hen herhaaldelijk van racisme en beledigt de aanwezige PBA door te zeggen dat zij “een grote mond heeft”. Deze houding bemoeilijkt een constructief verloop van de hoorzitting. De klachtencommissie onderschrijft het standpunt van de directie dat dergelijke houding niet door de beugel kan. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op klagers houding en beledigingen.

De klacht is ongegrond.