Ga verder naar de inhoud

KC16/25-0115

Ongegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Andere beslissing directeur
CELMUTATIE

De klacht betreft de mutatie naar vleugel D. De bevoegdheid van de directie tot toewijzing van een verblijfsruimte aan een gedetineerde wordt niet nader geregeld in de Basiswet. Deze beslissing moet dus niet aan specifieke voorwaarden voldoen. In principe kan men zulke beslissing zelfs mondeling nemen en moet ze nadien niet noodzakelijk in een schriftelijke beslissing verankerd worden. De directie beslist dus op discretionaire wijze op welke vleugel een gedetineerde verblijft. De klachtencommissie kan hierdoor enkel overgaan tot het toetsen van de redelijkheid van de beslissing. Klager diende op 11/04/2025 een klacht in omdat hij naar eigen zeggen verplicht zou moeten muteren naar vleugel D. De klachtencommissie stelt vast dat klager in de periode voorafgaand aan zijn klacht uitzonderlijk werd toegestaan om individueel te wandelen, gelet op de spanningen met een andere gedetineerde. De directie stelde hierbij uitdrukkelijk dat deze regeling tijdelijk en uitzonderlijk was en dat zij zou worden beëindigd indien klager een mutatie naar het opendeurregime zou weigeren, gelet op de praktische onhaalbaarheid om individuele wandelingen structureel te voorzien. Dit acht de klachtencommissie niet onredelijk.

Op 10/04/2025 kwam er op vleugel D een monocel vrij, waarop klager — met voorrang op alle andere wachtenden — de mogelijkheid kreeg om te muteren. Daarbij zou hij enerzijds alleen op cel zitten en anderzijds de medegedetineerde in kwestie niet meer tijdens de wandeling tegenkomen. Klager weigerde dit aanbod omdat er op vleugel D naar zijn zeggen “vrienden” van de medegedetineerde aanwezig waren. De klachtencommissie merkt op dat het voor de directie praktisch onmogelijk is om rekening te houden met inschattingen omtrent de sociale relaties binnen de gevangenis. Ook op andere vlakken toont het dossier dat de directie actief is opgetreden: op 07/04 werd klager opnieuw gehoord op het directierapport, werd hem uitleg gegeven over hoe klacht neer te leggen bij de politie, en werd op eigen initiatief de wijkagent gecontacteerd (waarvan de klachtencommissie eveneens de documentatie ontving). Diezelfde dag werd bovendien zijn bezoek verplaatst om confrontatie met de medegedetineerde te vermijden. Alles afwegende is de klachtencommissie van oordeel dat er op het moment van het indienen van zijn klacht geen sprake was een verplichte mutatie, maar net van een kans van de directie om de bedreiging te kunnen ontlopen door zowel een monocel te krijgen als een andere wandeling dan de medegedetineerde. De klachtencommissie kan begrijpen dat de voorgestelde mutatie voor klager mogelijks niet als ideaal wordt ervaren gezien het feit dat er ‘vrienden’ van de medegedetineerde op dezelfde wandeling verblijven. Toch is de klachtencommissie van oordeel dat de directie in dit dossier een redelijke en oplossingsgerichte benadering hanteerde en inspanningen heeft geleverd om zo goed mogelijk tegemoet te komen aan de bezorgdheden van klager. De beslissing van de directie getuigt dan ook van een redelijke en billijke aanpak. Om deze redenen is de klacht dan ook kennelijk ongegrond.