ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG - VERTROUWENSFUNCTIE
Klager werd bij ordemaatregel van 13 mei 2025 ontslagen uit zijn functie bij de technische dienst. De directeur oordeelt over de geschiktheid van de gedetineerde voor diens tewerkstelling op een bepaalde werkplaats. Indien de directeur een gedetineerde wil ontslaan, moet hij de dienstnota ‘Arbeid – Tucht – Veiligheidsmaatregel’ van de Directie Juridische Dienst van 18.06.2015 in acht nemen. Deze dienstnota bepaalt de exhaustieve gevallen waarin een ontslag mogelijk is.
In het voorliggend dossier is de derde hypothese uit de dienstnota van toepassing, met name een ordemaatregel tot afzetting van werk, wanneer er sprake is van een tuchtinbreuk. Eenzelfde feit kan zowel aanleiding geven tot een tuchtsanctie, als tot een ordemaatregel, voor zover deze geen verdoken tuchtsanctie uitmaakt. Het is precies om te vermijden dat ontslagbeslissingen die op een tuchtinbreuk volgen een verdoken tuchtsanctie zijn of lijken, dat de dienstnota in deze hypothese voorschrijft om slechts na afloop van de tuchtsanctie te beoordelen of het werk nog beschikbaar is en desgevallend zo nodig een gemotiveerde ontslagbeslissing te nemen. In het voorliggend dossier werd de ordemaatregel pas na afloop van de tuchtsanctie genomen. De directie heeft daarmee de dienstnota gerespecteerd.
In het voorliggend dossier blijkt uit de motivering van de ordemaatregel dat de aanleiding ervan inderdaad gelegen is in de tuchtrechtelijke feiten. Toch betreft het volgens de klachtencommissie géén verdoken tuchtsanctie, nu de ordemaatregel blijkens de motivering wordt ingegeven door het feit dat de tuchtinbreuk het vertrouwen van de directie ernstig heeft geschonden. De directie acht klager dan ook niet langer geschikt voor een vertrouwensfunctie. De klachtencommissie acht deze beoordeling redelijk. De klacht is ongegrond.
Klager werd bij ordemaatregel van 13 mei 2025 ontslagen uit zijn functie bij de technische dienst. De directeur oordeelt over de geschiktheid van de gedetineerde voor diens tewerkstelling op een bepaalde werkplaats. Indien de directeur een gedetineerde wil ontslaan, moet hij de dienstnota ‘Arbeid – Tucht – Veiligheidsmaatregel’ van de Directie Juridische Dienst van 18.06.2015 in acht nemen. Deze dienstnota bepaalt de exhaustieve gevallen waarin een ontslag mogelijk is.
In het voorliggend dossier is de derde hypothese uit de dienstnota van toepassing, met name een ordemaatregel tot afzetting van werk, wanneer er sprake is van een tuchtinbreuk. Eenzelfde feit kan zowel aanleiding geven tot een tuchtsanctie, als tot een ordemaatregel, voor zover deze geen verdoken tuchtsanctie uitmaakt. Het is precies om te vermijden dat ontslagbeslissingen die op een tuchtinbreuk volgen een verdoken tuchtsanctie zijn of lijken, dat de dienstnota in deze hypothese voorschrijft om slechts na afloop van de tuchtsanctie te beoordelen of het werk nog beschikbaar is en desgevallend zo nodig een gemotiveerde ontslagbeslissing te nemen. In het voorliggend dossier werd de ordemaatregel pas na afloop van de tuchtsanctie genomen. De directie heeft daarmee de dienstnota gerespecteerd.
In het voorliggend dossier blijkt uit de motivering van de ordemaatregel dat de aanleiding ervan inderdaad gelegen is in de tuchtrechtelijke feiten. Toch betreft het volgens de klachtencommissie géén verdoken tuchtsanctie, nu de ordemaatregel blijkens de motivering wordt ingegeven door het feit dat de tuchtinbreuk het vertrouwen van de directie ernstig heeft geschonden. De directie acht klager dan ook niet langer geschikt voor een vertrouwensfunctie. De klachtencommissie acht deze beoordeling redelijk. De klacht is ongegrond.