Ga verder naar de inhoud

KC16/25-0290

Ongegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Tucht
TUCHT - MOTIVERING - SANCTIE - VERBODEN SUBSTANTIES

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De klachtencommissie stelt vast dat de directie het in de tuchtbeslissing slechts kort over een druggeur heeft. Klager lijkt dan ook enkel gesanctioneerd te zijn voor hetgeen erna volgt, namelijk het doorslikken van iets dat hij ter hoogte van de MDP uit zijn sok nam en dit nadat de beambte hem gevraagd had dit af te geven. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie deze feiten bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten van het doorslikken van iets dat klager ter hoogte van de MDP uit zijn sok nam als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). Ze komt tot deze conclusie op basis van de volgende elementen: klager had voorafgaand iets in sok weggestoken, klager draaide zich om zodat de beambte niet kon zien wat hij in zijn hand had en slikte snel iets in voorafgaand aan een grondige kledijfouille en controle door de MDP. Ook brengt klager een verhaal over een papiertje met rekeningnummer omwille van openstaande schulden en liep hij al eerder een tuchtsanctie op wegens onder andere druggebruik. Volgens de klachtencommissie trok de directie een conclusie die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten ging. Deze kwalificatie is dan ook correct en werd afdoende gemotiveerd.

De directie kwalificeerde de feiten van het doorslikken van hetgeen klager uit zijn sok haalde terwijl de beambte hem gevraagd had om dit af te geven als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). Deze kwalificatie is eveneens correct en werd afdoende gemotiveerd.

Klager pleegde één inbreuk van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg 15 dagen ATV. Volgens de klachtencommissie was deze sanctie wettelijk en redelijk.

De klacht is ongegrond.