KC16/25-0306
Ongegrond
KC - Leuven Centraal
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT - TERMIJN
Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste om klager een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte en een uitsluiting van deelname aan alle activiteiten op te leggen op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De motivering van de voorlopige maatregel verwijst naar de vondst van vier naalden, een spuit en twee potjes met anabolica in de waszak van klager naar aanleiding van een celcontrole. De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt waarom de fysieke integriteit van personen bedreigd werd. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel van plaatsing in de beveiligde cel in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. Hij meent niet gesanctioneerd te kunnen worden, gelet meer dan 72u gepasseerd zijn sinds de start van de voorlopige maatregel. De klachtencommissie herinnert eraan dat de termijn van 72u volgens vaststaande rechtspraak een termijn van orde en geen vervaltermijn betreft. Het overschrijden van de termijn van 72u, hetgeen uitsluitend gebeurde met het oog op het waarborgen van het recht op bijstand van klager, maakt de opgelegde tuchtsanctie allerminst onwettig, onredelijk of onbillijk. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in de RAD’s van 7, 9 en 10 oktober 2025. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de RAD’s. De redenering die de directie opbouwde omtrent de vindplaats van de voorwerpen en de onwaarschijnlijkheid van klager zijn verklaring gaat de grenzen van de redelijkheid niet te buiten. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte en de vondsten aan klager toerekende. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet), het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie meent dat deze kwalificaties correct zijn en afdoende gemotiveerd werden. Klager pleegde twee inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg 20 dagen ATV. De klachtencommissie meent dat de sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste om klager een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte en een uitsluiting van deelname aan alle activiteiten op te leggen op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De motivering van de voorlopige maatregel verwijst naar de vondst van vier naalden, een spuit en twee potjes met anabolica in de waszak van klager naar aanleiding van een celcontrole. De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt waarom de fysieke integriteit van personen bedreigd werd. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel van plaatsing in de beveiligde cel in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. Hij meent niet gesanctioneerd te kunnen worden, gelet meer dan 72u gepasseerd zijn sinds de start van de voorlopige maatregel. De klachtencommissie herinnert eraan dat de termijn van 72u volgens vaststaande rechtspraak een termijn van orde en geen vervaltermijn betreft. Het overschrijden van de termijn van 72u, hetgeen uitsluitend gebeurde met het oog op het waarborgen van het recht op bijstand van klager, maakt de opgelegde tuchtsanctie allerminst onwettig, onredelijk of onbillijk. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in de RAD’s van 7, 9 en 10 oktober 2025. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de RAD’s. De redenering die de directie opbouwde omtrent de vindplaats van de voorwerpen en de onwaarschijnlijkheid van klager zijn verklaring gaat de grenzen van de redelijkheid niet te buiten. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte en de vondsten aan klager toerekende. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet), het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie meent dat deze kwalificaties correct zijn en afdoende gemotiveerd werden. Klager pleegde twee inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg 20 dagen ATV. De klachtencommissie meent dat de sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.