Ga verder naar de inhoud

KC16/25-0373

Ongegrond Gegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT

Klager werd op 4 december 2025 onderworpen aan een fouillering op het lichaam. De schriftelijke beslissing hiervan kon door de directie niet meer worden bijgebracht. De klachtencommissie besluit in navolging van de rechtspraak van de Raad van State (RvS 29 januari 2014, nr. 226.252) dat de afwezigheid van een administratief dossier wordt gelijkgesteld met de afwezigheid van deugdelijke motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. De klacht is om deze reden gegrond. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien de klacht louter om formele redenen gegrond wordt verklaard.

Klager diende klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste om klager een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte en een uitsluiting van deelname aan alle activiteiten op te leggen op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De motivering van de voorlopige maatregel verwijst naar de vermoedelijke intoxicatie van klager. De klachtencommissie meent dat hieruit voldoende blijkt waarom de fysieke integriteit van personen bedreigd werd. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel van plaatsing in de beveiligde cel en een uitsluiting van deelname aan alle activiteiten in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De klacht is ongegrond.

Klager diende klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting betwist klager dat hij de dag van het RAD drugs gebruikt had. In het verleden heeft hij dit wel gedaan en ook altijd toegegeven, maar hij is hier sinds zijn beperkte detentie mee gestopt. De urinecontrole weigerde hij omdat hij door zijn langdurig gebruik wellicht nog positief zou testen naar aanleiding van gebruik van 2 à 3 maanden geleden. De witte substantie aan zijn neus zou mogelijks zalf kunnen zijn geweest die hij op zijn gezicht smeert. Zijn ogen leken mogelijks anders door vermoeidheid. De directie achtte de uitleg van klager ter tuchtzitting ongeloofwaardig en verwees naar de visuele vaststellingen van het wit poeder door meerdere beambten evenals de tekenen van intoxicatie. De klachtencommissie meent dat de directie een conclusie trok die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten ging door de feiten bewezen te achten. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg 15 dagen ATV. De klachtencommissie meent dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.