Ga verder naar de inhoud

KC16/26-0138

Ongegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN

Klager dient een klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het bezit van of het gebruik van technologische middelen die de onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken”.

In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Hoewel klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent dat hij een gsm op cel had, hecht de klachtencommissie geen geloofwaardigheid aan de stelling van klager dat de beambte zich zou hebben vergist en het enkel om een tondeuse ging. De klachtencommissie is van oordeel dat een beambte wel degelijk het onderscheid kan zien tussen een gsm en een tondeuse. Bovendien blijkt uit de dossierstukken dat de beambte na de tuchtrechtelijke hoorzitting opnieuw door de directie werd bevraagd en formeel heeft bevestigd dat hij een gsm heeft gezien. In tegenstelling tot wat klager en zijn advocaat tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en in de klacht stellen, is de tuchtbeslissing niet louter gebaseerd op vermoedens. De beambte heeft immers objectief vastgesteld dat hij klager “rustig bezig zag met een smartphone” en heeft deze vaststelling ook volgens de te volgen procedure in een rapport aan de directeur neergeschreven. Het feit dat tijdens de celcontrole en de naaktfouillering de ochtend nadien geen gsm werd teruggevonden, doet geen afbreuk aan de vaststellingen van de beambte. Er was immers een tijdsverloop van zeven uur tussen de feitelijke vaststellingen en de celcontrole/naaktfouillering. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van 15 dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het tuchtrechtelijk verleden van klager. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.