KC16/26-0149
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Leuven Centraal
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - CELCONTROLE
- Over de fouillering op het lichaam:
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Klager stond immers buiten te wachten net aan de cel van een medegedetineerde die betrapt werd met een bruine substantie in zijn hand, waar een andere medegedetineerde rechtstreeks na zijn uitgangsvergunning kort naar toe was gegaan. De klachtencommissie is van oordeel dat de samenloop van deze concrete feitelijke elementen, zoals gemotiveerd door de directie: “de terugkeer van een gedetineerde van uitgaansvergunning met het onmiddellijke en korte bezoek aan de cel van een andere gedetineerde, de expliciete aanwezigheid van betrokkene bij deze cel en vervolgens de vaststelling van een verdachte substantie bij de betrokken gedetineerde enkele minuten later” voldoende zijn als individuele aanwijzing om te vermoeden dat klager in het bezit was van verboden substanties. Het feit dat klager op het moment zelf niet gevraagd werd waarom hij net aan deze cel stond, zoals klager opwerpt in zijn klacht, doet hier geen afbreuk aan. Zoals de directie aangeeft in haar verweer, gebeurde de beoordeling immers niet uitsluitend op basis van de aanwezigheid van klager aan de specifieke cel, maar op grond van de gehele feitelijke context en vaststellingen.
De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.
De klacht is om deze reden niet gegrond.
- Over de celcontrole:
Klager stelt dat zijn cel overdreven vuil werd achtergelaten en zijn spullen kapot en beschadigd zijn. Klager heeft hier echter geen concretere details. Uit het verweer van de directie blijkt dat klager op het ogenblik van de feiten hiervan geen melding heeft gemaakt. Ook heeft klager geen schadeformulier aangevraagd of ingevuld overeenkomstig de procedure voorzien in Collectieve Brief nr. 133. De klachtencommissie is daarom van oordeel dat klager onvoldoende heeft aangetoond dat de uitvoering van de celcontrole onwettig zou geweest zijn. Om die redenen is de klacht ongegrond.
- Over de fouillering op het lichaam:
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Klager stond immers buiten te wachten net aan de cel van een medegedetineerde die betrapt werd met een bruine substantie in zijn hand, waar een andere medegedetineerde rechtstreeks na zijn uitgangsvergunning kort naar toe was gegaan. De klachtencommissie is van oordeel dat de samenloop van deze concrete feitelijke elementen, zoals gemotiveerd door de directie: “de terugkeer van een gedetineerde van uitgaansvergunning met het onmiddellijke en korte bezoek aan de cel van een andere gedetineerde, de expliciete aanwezigheid van betrokkene bij deze cel en vervolgens de vaststelling van een verdachte substantie bij de betrokken gedetineerde enkele minuten later” voldoende zijn als individuele aanwijzing om te vermoeden dat klager in het bezit was van verboden substanties. Het feit dat klager op het moment zelf niet gevraagd werd waarom hij net aan deze cel stond, zoals klager opwerpt in zijn klacht, doet hier geen afbreuk aan. Zoals de directie aangeeft in haar verweer, gebeurde de beoordeling immers niet uitsluitend op basis van de aanwezigheid van klager aan de specifieke cel, maar op grond van de gehele feitelijke context en vaststellingen.
De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.
De klacht is om deze reden niet gegrond.
- Over de celcontrole:
Klager stelt dat zijn cel overdreven vuil werd achtergelaten en zijn spullen kapot en beschadigd zijn. Klager heeft hier echter geen concretere details. Uit het verweer van de directie blijkt dat klager op het ogenblik van de feiten hiervan geen melding heeft gemaakt. Ook heeft klager geen schadeformulier aangevraagd of ingevuld overeenkomstig de procedure voorzien in Collectieve Brief nr. 133. De klachtencommissie is daarom van oordeel dat klager onvoldoende heeft aangetoond dat de uitvoering van de celcontrole onwettig zou geweest zijn. Om die redenen is de klacht ongegrond.