Ga verder naar de inhoud

KC16/26-0190

Gegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Voorlopige maatregel
VOORLOPIGE MAATREGEL - TERMIJN - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MOTIVERING - PROPORTIONALITEIT

Hoewel de klachtencommissie niet beschikt over een kopie van de bestreden beslissing, heeft de directie in haar verweer verklaard dat op 18.05.2026 beslist werd om een voorlopige maatregel op te leggen ten aanzien van klager. Dit wordt ook bevestigd aan de hand van de bezorgde dossierstukken. Klager heeft zijn klacht tegen de beslissing van de directie van 18.05.2026 pas ingediend op 31.05.2026 hetgeen later is dan zeven dagen na kennisname van de bestreden beslissing. Aangezien klager echter vanaf 20.05.2026 tot en met 26.05.2026 verbleef in het ziekenhuis, is de klachtencommissie van oordeel dat dit een reden is om aan te nemen dat hij de klacht zo spoedig mogelijk heeft ingediend als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden. De klacht is daarom toch ontvankelijk.

De klachtencommissie meent in eerste instantie dat het opleggen van een voorlopige maatregel in casu een opvallende keuze was aangezien er geen tuchtprocedure werd opgestart. De klachtencommissie meent ook dat er geen tuchtrechtelijke inbreuken waren gepleegd door klager. Doordat de klachtencommissie niet beschikt over een kopie van de bestreden beslissing, kan zij de motivering van de beslissing niet toetsen. Uit het verweer van de directie en de bezorgde dossierstukken blijkt echter dat de directie de voorlopige maatregel heeft opgelegd op advies van de inrichtingsarts na een medische interventie in het kader van de hongerstaking van klager. Uit de motivering van de naaktfouille blijkt dat het personeel klager in een versufte toestand had aangetroffen. Gelet op de ingegeven motivatie meent de klachtencommissie dat het opstarten van een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM) eerder aan de orde was geweest dan het opleggen van een voorlopige maatregel hetgeen kadert in een tuchtprocedure. Deze keuze had met zich meegebracht dat de directie klager voorafgaand aan het opleggen van een BVM had moeten horen hetgeen klager eigenlijk wou en misschien tot gevolg zou hebben gehad dat hij toen zijn hongerstaking zou stoppen.

Wat betreft de soort veiligheidsmaatregel werd gekozen voor de onderbrenging in de beveiligde cel. Dit betreft de meest ingrijpende maatregel. De klachtencommissie stelt vast dat de directie niet heeft gemotiveerd waarom er voor deze maatregel werd gekozen en een minder ingrijpende maatregel zoals de observatie geen zelfde resultaat zou hebben bereikt. Overigens wordt in de Basiswet bepaald dat de gedetineerde tijdens zijn verblijf in de beveiligde cel zorgvuldig wordt opgevolgd door de directeur en een adviserende arts, die de gedetineerde daartoe regelmatig bezoeken, zich vergewissen van zijn toestand en nagaan of hij geen klachten of opmerkingen te formuleren heeft. Klager verklaart dat hij in de beveiligde cel geen directeur of dokter heeft gezien. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de plaatsing van klager in de beveiligde cel tijdens zijn hongerstaking disproportioneel en niet ter zake dienend was. De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de voorlopige maatregel.