Ga verder naar de inhoud

KC17/22-0040

Gegrond KC - Leuven Hulp Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - VERBODEN SUBSTANTIES

Een loutere geurwaarneming door personeel zonder verdere individuele vaststellingen, kan bezwaarlijk het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (inbreuk van de eerste categorie) bewijzen.
De Klachtencommissie neemt aan dat de opleiding die het personeel heeft genoten van belang kan zijn bij drugsdetectie. De zintuiglijke observaties door het personeel kunnen namelijk een aanleiding zijn om de aanwezigheid van drugs, alsook verondersteld gebruik, te detecteren. Door de specifieke context van de gevangenis, is het volgens de Klachtencommissie echter niet overtuigend dat de cel van de gedetineerde louter via olfactorische waarnemingen als de bron van de waargenomen wietgeur kon worden aangeduid.
Een wietgeur (die op zichzelf gezien onmiskenbaar via de reukzin valt waar te nemen), verspreidt zich echter per definitie zeer gemakkelijk en valt dus veel moeilijker te herleiden tot één unieke materiële bron. Gespecialiseerde en betrouwbare detectie zijn in zo’n context des te meer aan de orde.
Uit het RAD blijkt dat de geurwaarneming werd bevestigd door de tweede PBA en aansluitend ook de PBAB (ploegchef).
Klager zat met een medegedetineerde op de cel. De Klachtencommissie is van mening dat, om de feiten individueel te kunnen toerekenen aan klager, de directie zich moet kunnen beroepen op meer elementen dan enkel de geurwaarneming.
Het openen van het winket was nog mogelijk om te verifiëren wie aan het roken was. De geurwaarneming gebeurde namelijk op het moment van de sluiting waardoor de celdeur ook nog geopend had kunnen worden.
Het onderzoek werd dan ook niet met de vereiste zorg uitgevoerd om de feiten individueel te kunnen toerekenen aan klager.
De klacht is gegrond.