TUCHT - HUISHOUDELIJK REGLEMENT
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Leuven Hulp.
Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 7 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de volgende inbreuken van de tweede categorie: 1) het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden en 2) het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
Wat betreft de kwalificatie “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” ziet de klachtencommissie geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het rapport aan de directeur. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het rapport aan de directeur werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren.
De klachtencommissie acht het niet onredelijk dat de feiten beschreven in het rapport aan de directeur als de inbreuk het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden. De klachtencommissie acht voormelde kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Vervolgens acht de klachtencommissie de dubbele kwalificatie van de feiten als zijnde het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen daarentegen niet correct. De klachtencommissie wijst erop dat deze algemene bepaling van het huishoudelijk reglement een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 van de Basiswet en dat deze bepaling in het huishoudelijk reglement daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement.
De wetgever heeft het zelf niet nodig gevonden om een inbreuk op artikel 106 als een tuchtinbreuk aan te merken. In de plaats daarvan riep zij, gelet op het legaliteitsbeginsel van artikel 124, §1 van de Basiswet, een aantal specifieke tuchtinbreuken in het leven: het niet-naleven van het huishoudelijk reglement, het geen gevolg geven aan aanmaningen en bevelen van het personeel en het verstoren van de orde. Dergelijke dubbele kwalificatie aanvaarden zou steevast en automatisch leiden tot een samenloop van tuchtinbreuken , terwijl deze in dat geval eigenlijk intern overlappend zijn. In het voorliggend dossier kan de kwalificatie van de feiten als het niet-naleven van het huishoudelijk reglement volgens de klachtencommissie dan ook niet overeind blijven. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden. De klachtencommissie draagt de directie daarom op om de kwalificatie van de tuchtsanctie aan te passen in het tuchtregister van klager.
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtprocedure door de directie correct gevolgd werd. De feiten vormen een tuchtrechtelijke inbreuk van de tweede categorie , die kunnen worden gestraft met een maximum van 15 dagen ATV. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf van 7 dagen ATV heeft opgelegd.
De klacht is bijgevolg (gedeeltelijk) gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing wat betreft de kwalificatie van de feiten als “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. De klachtencommissie zegt dat haar uitspraak in de plaats treedt, namelijk voormelde kwalificatie dient geschrapt te worden. Voor het overige blijft de tuchtsanctie overeind.
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Leuven Hulp.
Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 7 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de volgende inbreuken van de tweede categorie: 1) het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden en 2) het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
Wat betreft de kwalificatie “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” ziet de klachtencommissie geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het rapport aan de directeur. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het rapport aan de directeur werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren.
De klachtencommissie acht het niet onredelijk dat de feiten beschreven in het rapport aan de directeur als de inbreuk het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden. De klachtencommissie acht voormelde kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Vervolgens acht de klachtencommissie de dubbele kwalificatie van de feiten als zijnde het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen daarentegen niet correct. De klachtencommissie wijst erop dat deze algemene bepaling van het huishoudelijk reglement een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 van de Basiswet en dat deze bepaling in het huishoudelijk reglement daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement.
De wetgever heeft het zelf niet nodig gevonden om een inbreuk op artikel 106 als een tuchtinbreuk aan te merken. In de plaats daarvan riep zij, gelet op het legaliteitsbeginsel van artikel 124, §1 van de Basiswet, een aantal specifieke tuchtinbreuken in het leven: het niet-naleven van het huishoudelijk reglement, het geen gevolg geven aan aanmaningen en bevelen van het personeel en het verstoren van de orde. Dergelijke dubbele kwalificatie aanvaarden zou steevast en automatisch leiden tot een samenloop van tuchtinbreuken , terwijl deze in dat geval eigenlijk intern overlappend zijn. In het voorliggend dossier kan de kwalificatie van de feiten als het niet-naleven van het huishoudelijk reglement volgens de klachtencommissie dan ook niet overeind blijven. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden. De klachtencommissie draagt de directie daarom op om de kwalificatie van de tuchtsanctie aan te passen in het tuchtregister van klager.
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtprocedure door de directie correct gevolgd werd. De feiten vormen een tuchtrechtelijke inbreuk van de tweede categorie , die kunnen worden gestraft met een maximum van 15 dagen ATV. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf van 7 dagen ATV heeft opgelegd.
De klacht is bijgevolg (gedeeltelijk) gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing wat betreft de kwalificatie van de feiten als “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. De klachtencommissie zegt dat haar uitspraak in de plaats treedt, namelijk voormelde kwalificatie dient geschrapt te worden. Voor het overige blijft de tuchtsanctie overeind.