TUCHT
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” en “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.
Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en een andere beambte getuige was van de feiten. De klachtencommissie hecht geen geloofwaardigheid aan de verklaring van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting dat het om een waslijn zou gaan, noch aan de verklaring van klager in zijn klacht dat de beambte de moeder van klager zou hebben beledigd in plaats van omgekeerd. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten de twee tuchtrechtelijke inbreuken uitmaakten. Door de zinsnede, zoals geciteerd in het RAD, maakte klager zich immers schuldig aan de tuchtrechtelijke inbreuk ‘het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden’. Door te slingeren heeft klager het huishoudelijk reglement overtreden. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” en “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.
Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en een andere beambte getuige was van de feiten. De klachtencommissie hecht geen geloofwaardigheid aan de verklaring van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting dat het om een waslijn zou gaan, noch aan de verklaring van klager in zijn klacht dat de beambte de moeder van klager zou hebben beledigd in plaats van omgekeerd. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten de twee tuchtrechtelijke inbreuken uitmaakten. Door de zinsnede, zoals geciteerd in het RAD, maakte klager zich immers schuldig aan de tuchtrechtelijke inbreuk ‘het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden’. Door te slingeren heeft klager het huishoudelijk reglement overtreden. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.