KC17/26-0003
Ongegrond
Gegrond
KC - Leuven Hulp
Klachtencommissie
Tucht
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING - TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - SANCTIE
Klager dient klacht in tegen een fouillering op het lichaam. De directie haalde als individuele aanwijzing aan dat na afloop van het bezoek werd vastgesteld dat klager een voorwerp trachtte te verbergen in zijn onderbroek. De klachtencommissie acht de individuele aanwijzing voldoende geconcretiseerd. Op basis van de motivering is het volgens de klachtencommissie echter niet duidelijk waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om het bezit van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties te achterhalen. Dit blijkt enkel uit het RAD van 2 januari 2026. De vaststelling die aanleiding gaf tot de fouillering op het lichaam werd met name gedaan ter gelegenheid van een fouille aan de kledij, waardoor deze onvoldoende bleek. De directeur specificeerde dit niet in de beslissing. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing daardoor niet voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. Volgens de klachtencommissie was het voldoende geweest indien de directie de woorden “ter gelegenheid van een fouille aan de kledij” had ingevoegd tussen de woorden “werd na afloop van het bezoek” en “vastgesteld”. De klacht is gegrond. De klachtencommissie acht het niet opportuun om voor deze beperkte tekortkoming aan de motivering een tegemoetkoming toe te kennen.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting stelt klager niets te hebben binnengebracht. Hij had wel veel lagen kledij aan omdat het koud is. Er werd niks gevonden bij de fouillering op het lichaam. De directie achtte de feiten bewezen, rekening houdend met de vaststelling na het bezoek van een zacht pakket ter hoogte van de riemstreek van klager. Klager werd naar een vooraf gecontroleerde wachtzaal overgebracht waarin na afloop van de fouillering op het lichaam een in folie verpakt stuk vlees werd aangetroffen achter de verwarming. De directie schreef dit stuk vlees dan ook aan klager toe en besloot dat hij het tijdens het bezoek verkreeg. De klachtencommissie oordeelt dat deze conclusie de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt. De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet), verwijzend naar de bepaling dat bezoekers geen voorwerpen mogen overhandigen aan gedetineerden. De klachtencommissie meent dat deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd. Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie en kreeg een bijzondere tuchtsanctie van 14 dagen glasbezoek opgelegd (in plaats van zijn kinderbezoek en ongestoord bezoek). De klachtencommissie oordeelt dat de opgelegde sanctie wettelijk en redelijk was. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een fouillering op het lichaam. De directie haalde als individuele aanwijzing aan dat na afloop van het bezoek werd vastgesteld dat klager een voorwerp trachtte te verbergen in zijn onderbroek. De klachtencommissie acht de individuele aanwijzing voldoende geconcretiseerd. Op basis van de motivering is het volgens de klachtencommissie echter niet duidelijk waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om het bezit van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties te achterhalen. Dit blijkt enkel uit het RAD van 2 januari 2026. De vaststelling die aanleiding gaf tot de fouillering op het lichaam werd met name gedaan ter gelegenheid van een fouille aan de kledij, waardoor deze onvoldoende bleek. De directeur specificeerde dit niet in de beslissing. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing daardoor niet voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. Volgens de klachtencommissie was het voldoende geweest indien de directie de woorden “ter gelegenheid van een fouille aan de kledij” had ingevoegd tussen de woorden “werd na afloop van het bezoek” en “vastgesteld”. De klacht is gegrond. De klachtencommissie acht het niet opportuun om voor deze beperkte tekortkoming aan de motivering een tegemoetkoming toe te kennen.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting stelt klager niets te hebben binnengebracht. Hij had wel veel lagen kledij aan omdat het koud is. Er werd niks gevonden bij de fouillering op het lichaam. De directie achtte de feiten bewezen, rekening houdend met de vaststelling na het bezoek van een zacht pakket ter hoogte van de riemstreek van klager. Klager werd naar een vooraf gecontroleerde wachtzaal overgebracht waarin na afloop van de fouillering op het lichaam een in folie verpakt stuk vlees werd aangetroffen achter de verwarming. De directie schreef dit stuk vlees dan ook aan klager toe en besloot dat hij het tijdens het bezoek verkreeg. De klachtencommissie oordeelt dat deze conclusie de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt. De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet), verwijzend naar de bepaling dat bezoekers geen voorwerpen mogen overhandigen aan gedetineerden. De klachtencommissie meent dat deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd. Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie en kreeg een bijzondere tuchtsanctie van 14 dagen glasbezoek opgelegd (in plaats van zijn kinderbezoek en ongestoord bezoek). De klachtencommissie oordeelt dat de opgelegde sanctie wettelijk en redelijk was. De klacht is ongegrond.