KC17/26-0017
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Leuven Hulp
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Voorlopige maatregel
Tucht
Ordemaatregel
TUCHT - GEURWAARNEMING - BEWIJS - TOEREKENBAARHEID
Klager heeft een klacht ingediend omdat hij voor niets een rapport heeft gekregen. Klager zat op dat moment met nog twee celgenoten op cel. Ze zijn alle drie goede vrienden. Ze hebben niets verkeerd gedaan.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Volgens het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld is eenieder tegen wie een (tucht)vervolging is ingesteld, onschuldig totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. De Basiswet heeft dit fundamenteel beginsel ingebouwd in de tuchtprocedure en stelt dat een gedetineerde alleen gesanctioneerd kan worden voor de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht.
De Basiswet stelt geen bijzonder bewijsstelsel in. De directeur kan voor het bewijs van een tuchtinbreuk dus steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen en vermoedens. Voor de vaststelling van het gebruik en bijgevolg ook het bezit van drugs kan de directeur zich bovendien steunen op de waarnemingen van de penitentiair beambten, zoals de waarneming van de specifieke geur van een verboden substantie. Ook zonder te beschikken over gegevens die het onweerlegbaar bewijs inhouden van het tuchtfeit, zoals een analyse van de aangetroffen substantie of een drugstest, kan de gevangenisdirecteur zich redelijkerwijze steunen op de vaststellingen van zijn beambten op het vlak van de herkenning van drugs en van druggebruik. Er gaat immers een vermoeden van objectiviteit uit van de rapporten opgesteld door penitentiair beambten. Dit vermoeden is weerlegbaar wanneer de gedetineerde overtuigende tegenargumenten aanbrengt waardoor er twijfel bestaat over de juistheid van de informatie opgenomen in het RAD. De klachtencommissie stelt vast dat in het RAD duidelijk wordt weergegeven dat de opsteller van het RAD een sterke wietgeur waarnam toen zij de celdeur opende waar op dat moment klager en zijn celgenoot verbleven. Toen beiden geconfronteerd werden met deze vaststelling, negeerden ze de beambte en lachten ze met elkaar. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent klager louter de inhoud van het rapport. De klachtencommissie is van oordeel dat de loutere ontkenning van duidelijke vaststellingen gedaan door een penitentiair beambte, geen overtuigend element is dat doet twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. Door de terechte vraag van de beambte te negeren en weg te lachen, maakte klager zich bovendien verdacht. De klachtencommissie besluit dat de directie het bezit van verboden substanties terecht bewezen heeft verklaard in hoofde van klager. De directie heeft een algemene tuchtsanctie opgelegd in de vorm van één week ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijke toegelaten maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig en niet onredelijk of onbillijk. Om deze redenen is de klacht ongegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.
Klager heeft een klacht ingediend omdat hij voor niets een rapport heeft gekregen. Klager zat op dat moment met nog twee celgenoten op cel. Ze zijn alle drie goede vrienden. Ze hebben niets verkeerd gedaan.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Volgens het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld is eenieder tegen wie een (tucht)vervolging is ingesteld, onschuldig totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. De Basiswet heeft dit fundamenteel beginsel ingebouwd in de tuchtprocedure en stelt dat een gedetineerde alleen gesanctioneerd kan worden voor de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht.
De Basiswet stelt geen bijzonder bewijsstelsel in. De directeur kan voor het bewijs van een tuchtinbreuk dus steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen en vermoedens. Voor de vaststelling van het gebruik en bijgevolg ook het bezit van drugs kan de directeur zich bovendien steunen op de waarnemingen van de penitentiair beambten, zoals de waarneming van de specifieke geur van een verboden substantie. Ook zonder te beschikken over gegevens die het onweerlegbaar bewijs inhouden van het tuchtfeit, zoals een analyse van de aangetroffen substantie of een drugstest, kan de gevangenisdirecteur zich redelijkerwijze steunen op de vaststellingen van zijn beambten op het vlak van de herkenning van drugs en van druggebruik. Er gaat immers een vermoeden van objectiviteit uit van de rapporten opgesteld door penitentiair beambten. Dit vermoeden is weerlegbaar wanneer de gedetineerde overtuigende tegenargumenten aanbrengt waardoor er twijfel bestaat over de juistheid van de informatie opgenomen in het RAD. De klachtencommissie stelt vast dat in het RAD duidelijk wordt weergegeven dat de opsteller van het RAD een sterke wietgeur waarnam toen zij de celdeur opende waar op dat moment klager en zijn celgenoot verbleven. Toen beiden geconfronteerd werden met deze vaststelling, negeerden ze de beambte en lachten ze met elkaar. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent klager louter de inhoud van het rapport. De klachtencommissie is van oordeel dat de loutere ontkenning van duidelijke vaststellingen gedaan door een penitentiair beambte, geen overtuigend element is dat doet twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. Door de terechte vraag van de beambte te negeren en weg te lachen, maakte klager zich bovendien verdacht. De klachtencommissie besluit dat de directie het bezit van verboden substanties terecht bewezen heeft verklaard in hoofde van klager. De directie heeft een algemene tuchtsanctie opgelegd in de vorm van één week ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijke toegelaten maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig en niet onredelijk of onbillijk. Om deze redenen is de klacht ongegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.