KC17/26-0033
Ongegrond
Gegrond
KC - Leuven Hulp
Klachtencommissie
Tucht
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - TUCHT - TOEREKENBAARHEID
Klager dient ten eerste een klacht in tegen de fouillering op zijn lichaam.
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Uit het RAD blijkt immers dat klager een verdachte bruine substantie in papier wikkelde en vervolgens achter in zijn onderbroek heeft gestoken. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden. De klacht is om deze reden niet gegrond.
Klager dient daarnaast een klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat de rapporten duidelijk werden opgesteld en ook ondertekend werden door verschillende getuigen van het personeel. Klager betwist noch op het moment van de feiten, noch tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en noch in zijn klacht dat het om cannabis ging. Hij meent enkel dat het in België gedoogd zou zijn en niet verboden zou zijn door de wet. De klachtencommissie stelt echter vast dat cannabis wel degelijk illegaal is in België en een verboden substantie vormt binnen de Belgische gevangenissen. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij omwille van medische redenen cannabis zou mogen gebruiken. Klager verwijst naar een medisch attest, maar legt dit niet voor. Bovendien is de klachtencommissie van oordeel dat, zoals de directie ook stelt tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, dergelijke medicatie niet dezelfde vorm aanneemt als de zuivere verboden substanties en geenszins als argument gebruikt kan worden. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie nergens in de motivering van de tuchtbeslissing aanhaalt dat klager geïnterneerd is, noch waarom zij klager verantwoordelijk acht voor zijn daden door te beoordelen of klager op het moment van de feiten bewust en helder was en over een vrije wil en oordeelsvermogen beschikte. De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat de tuchtbeslissing niet naar recht gemotiveerd werd. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 07/04/2026 en beveelt de schrapping ervan uit het tuchtregister van klager.
Klager dient ten eerste een klacht in tegen de fouillering op zijn lichaam.
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Uit het RAD blijkt immers dat klager een verdachte bruine substantie in papier wikkelde en vervolgens achter in zijn onderbroek heeft gestoken. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden. De klacht is om deze reden niet gegrond.
Klager dient daarnaast een klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat de rapporten duidelijk werden opgesteld en ook ondertekend werden door verschillende getuigen van het personeel. Klager betwist noch op het moment van de feiten, noch tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en noch in zijn klacht dat het om cannabis ging. Hij meent enkel dat het in België gedoogd zou zijn en niet verboden zou zijn door de wet. De klachtencommissie stelt echter vast dat cannabis wel degelijk illegaal is in België en een verboden substantie vormt binnen de Belgische gevangenissen. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij omwille van medische redenen cannabis zou mogen gebruiken. Klager verwijst naar een medisch attest, maar legt dit niet voor. Bovendien is de klachtencommissie van oordeel dat, zoals de directie ook stelt tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, dergelijke medicatie niet dezelfde vorm aanneemt als de zuivere verboden substanties en geenszins als argument gebruikt kan worden. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie nergens in de motivering van de tuchtbeslissing aanhaalt dat klager geïnterneerd is, noch waarom zij klager verantwoordelijk acht voor zijn daden door te beoordelen of klager op het moment van de feiten bewust en helder was en over een vrije wil en oordeelsvermogen beschikte. De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat de tuchtbeslissing niet naar recht gemotiveerd werd. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 07/04/2026 en beveelt de schrapping ervan uit het tuchtregister van klager.