TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES
Klager geeft aan over de ten laste gelegde feiten niet tijdig binnen de 72u gehoord te zijn na het opleggen van de voorlopige maatregel, aangezien de tuchtzitting heeft plaatsgevonden vier dagen nadien. Artikel 144 ยง5 van de Basiswet gevangeniswezen bepaalt immers dat indien de gedetineerde het voorwerp uitmaakt van een in artikel 145 van die wet bepaalde voorlopige maatregel, hij moet worden gehoord binnen de 72 uur na het in werking treden van die maatregel.
De bedoeling van de wetgever met deze (ver)korte termijn bestond erin, de gedetineerde wiens regime beperkt wordt door de voorlopige maatregel te beschermen en op korte termijn in zijn middelen van verweer te horen over de feiten die hem ten laste werden gelegd.
De wet voorziet echter geen sanctie voor het niet naleven van de termijnen voor de hoorzitting. Noch voor de termijn van 7 dagen, noch voor de specifieke termijn van 72 uur verbindt de wet een gevolg aan het overschrijden van de termijn. Hieruit dient afgeleid dat het gaat om een termijn van orde en niet om een vervaltermijn.
Een termijn van orde is een door een norm voorgeschreven termijn, waarbinnen men een bepaalde bevoegdheid moet uitoefenen, maar waarvan de overschrijding geen bevoegdheidsverlies met zich meebrengt om alsnog te oordelen. Zulke overschrijding leidt dus niet noodzakelijk tot de nietigheid van de tuchtbeslissing die erop volgt, mits er geen belangenschade is.
Het blijkt echter dat de binnen deze termijn voorziene tuchtzitting diende te worden uitgesteld omdat de raadsman die de klager had aangewezen, pas dan beschikbaar was. Verder mag uit de verklaring van klager op de tuchtzitting en uit het feit dat hij op de grote wandeling was, worden afgeleid dat de voorlopige maatregel daadwerkelijk niet langer dan 72 uur heeft geduurd zoals de directie verklaart.
In de klacht wordt geen inhoudelijk bezwaar geformuleerd tegen de opgelegde sanctie van 30 dagen ATV.
Volledigheidshalve stelt de klachtencommissie vast dat het feit betreffende de beledigingen aan de penitentiaire beambten terecht als bewezen werden weerhouden aangezien een andere beambte er getuige van was. De zwaarte van de sanctie is gerechtvaardigd door de aard van de feiten en door het beladen dossier met tuchtvoorgaanden van betrokkene.
De klacht is ongegrond.
Klager geeft aan over de ten laste gelegde feiten niet tijdig binnen de 72u gehoord te zijn na het opleggen van de voorlopige maatregel, aangezien de tuchtzitting heeft plaatsgevonden vier dagen nadien. Artikel 144 ยง5 van de Basiswet gevangeniswezen bepaalt immers dat indien de gedetineerde het voorwerp uitmaakt van een in artikel 145 van die wet bepaalde voorlopige maatregel, hij moet worden gehoord binnen de 72 uur na het in werking treden van die maatregel.
De bedoeling van de wetgever met deze (ver)korte termijn bestond erin, de gedetineerde wiens regime beperkt wordt door de voorlopige maatregel te beschermen en op korte termijn in zijn middelen van verweer te horen over de feiten die hem ten laste werden gelegd.
De wet voorziet echter geen sanctie voor het niet naleven van de termijnen voor de hoorzitting. Noch voor de termijn van 7 dagen, noch voor de specifieke termijn van 72 uur verbindt de wet een gevolg aan het overschrijden van de termijn. Hieruit dient afgeleid dat het gaat om een termijn van orde en niet om een vervaltermijn.
Een termijn van orde is een door een norm voorgeschreven termijn, waarbinnen men een bepaalde bevoegdheid moet uitoefenen, maar waarvan de overschrijding geen bevoegdheidsverlies met zich meebrengt om alsnog te oordelen. Zulke overschrijding leidt dus niet noodzakelijk tot de nietigheid van de tuchtbeslissing die erop volgt, mits er geen belangenschade is.
Het blijkt echter dat de binnen deze termijn voorziene tuchtzitting diende te worden uitgesteld omdat de raadsman die de klager had aangewezen, pas dan beschikbaar was. Verder mag uit de verklaring van klager op de tuchtzitting en uit het feit dat hij op de grote wandeling was, worden afgeleid dat de voorlopige maatregel daadwerkelijk niet langer dan 72 uur heeft geduurd zoals de directie verklaart.
In de klacht wordt geen inhoudelijk bezwaar geformuleerd tegen de opgelegde sanctie van 30 dagen ATV.
Volledigheidshalve stelt de klachtencommissie vast dat het feit betreffende de beledigingen aan de penitentiaire beambten terecht als bewezen werden weerhouden aangezien een andere beambte er getuige van was. De zwaarte van de sanctie is gerechtvaardigd door de aard van de feiten en door het beladen dossier met tuchtvoorgaanden van betrokkene.
De klacht is ongegrond.