KC20/23-0030
Ongegrond
Gegrond
KC - Mechelen
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - MOTIVERING - KWALIFICATIE INBREUK
Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgemaakt. De opsteller van het RAD had gezien hoe klager samen met een andere gedetineerde tijdens de wandeling een aantal keer probeerde om een vastzittend pakketje in de prikkeldraad los te krijgen. Klager schopte een aantal keer tegen de omheining maar dit werkte niet. Hierna nam hij een flesje water en gooide dit naar het pakket, waarna dit op de grond viel. De directeur besliste om een voorlopige maatregel op te leggen. Klager moest in afwachting van de tuchtrechtelijke hoorzitting verblijven in zijn cel en hij werd uitgesloten van deelname aan alle activiteiten. De directie heeft klager op voorlopige maatregel gezet omdat zij van oordeel was dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast door het overgegooid pakketje te willen bemachtigen. Klager heeft zich duidelijk ingelaten met de overgooiproblematiek waardoor er ongecontroleerde voorwerpen de gevangenis kunnen binnenkomen. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel wettig was. De klacht is ongegrond.
De directeur nam vervolgens kennis van het RAD en besliste om een tuchtprocedure op te starten. Klager en zijn advocaat werden in kennis gesteld dat klager zou gehoord worden omtrent de ten laste gelegde feiten van: betrokkenheid bij een naar de wandeling overgegooid pakket. Een kopie van het RAD werd samen met de uitnodiging voor de tuchtrechtelijke hoorzitting overgemaakt aan klager. Het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting is beknopt. De directeur heeft enkel het rapport voorgelezen. Zowel tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting als in zijn klacht, ontkent klager iets te maken te hebben met het overgegooid pakket. Als tuchtrechtelijke feiten werden in de tuchtbeslissing weerhouden: “betrokkenheid bij een naar de wandeling overgegooid pakket.” Bovenaan de tuchtbeslissing werden inbreuken van tweede categorie en bijzondere tuchtsancties in het vet aangeduid en met fluostift gemarkeerd. Vervolgens werden drie tuchtrechtelijke inbreuken met fluostift aangeduid:
• de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen of de bedreiging daarmee,
• de wederrechtelijke ontvreemding van goederen en
• het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
Dit zijn tuchtinbreuken van zowel eerste als tweede categorie. Enkel de inbreuk van het niet-naleven van het huishoudelijk reglement werd in het vet aangeduid (artikel 130 Basiswet: inbreuken van tweede categorie). De maat van een bijzondere tuchtsanctie voor een inbreuk van tweede categorie (in casu het weerhouden van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen) bedraagt maximum vijftien dagen (artikel 133 Basiswet). De klachtencommissie stelt vast dat het onduidelijk is voor welke tuchtrechtelijke inbreuken klager precies werd gesanctioneerd en waarom die feiten die tuchtrechtelijke inbreuken uitmaken. Gelet op het bovenstaande, kon klager zodoende onmogelijk de precieze draagwijdte kennen van de ten aanzien van hem genomen tuchtbeslissing. Los van het gegeven dat de directie de feiten ten aanzien van klager mogelijks als bewezen kon beschouwen en hem daarvoor desgewenst ook tuchtrechtelijk kon sanctioneren, maakt de gebrekkige motivering en de bestreden tuchtsanctie (25 dagen individuele wandeling) onwettig. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.
Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgemaakt. De opsteller van het RAD had gezien hoe klager samen met een andere gedetineerde tijdens de wandeling een aantal keer probeerde om een vastzittend pakketje in de prikkeldraad los te krijgen. Klager schopte een aantal keer tegen de omheining maar dit werkte niet. Hierna nam hij een flesje water en gooide dit naar het pakket, waarna dit op de grond viel. De directeur besliste om een voorlopige maatregel op te leggen. Klager moest in afwachting van de tuchtrechtelijke hoorzitting verblijven in zijn cel en hij werd uitgesloten van deelname aan alle activiteiten. De directie heeft klager op voorlopige maatregel gezet omdat zij van oordeel was dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast door het overgegooid pakketje te willen bemachtigen. Klager heeft zich duidelijk ingelaten met de overgooiproblematiek waardoor er ongecontroleerde voorwerpen de gevangenis kunnen binnenkomen. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel wettig was. De klacht is ongegrond.
De directeur nam vervolgens kennis van het RAD en besliste om een tuchtprocedure op te starten. Klager en zijn advocaat werden in kennis gesteld dat klager zou gehoord worden omtrent de ten laste gelegde feiten van: betrokkenheid bij een naar de wandeling overgegooid pakket. Een kopie van het RAD werd samen met de uitnodiging voor de tuchtrechtelijke hoorzitting overgemaakt aan klager. Het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting is beknopt. De directeur heeft enkel het rapport voorgelezen. Zowel tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting als in zijn klacht, ontkent klager iets te maken te hebben met het overgegooid pakket. Als tuchtrechtelijke feiten werden in de tuchtbeslissing weerhouden: “betrokkenheid bij een naar de wandeling overgegooid pakket.” Bovenaan de tuchtbeslissing werden inbreuken van tweede categorie en bijzondere tuchtsancties in het vet aangeduid en met fluostift gemarkeerd. Vervolgens werden drie tuchtrechtelijke inbreuken met fluostift aangeduid:
• de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen of de bedreiging daarmee,
• de wederrechtelijke ontvreemding van goederen en
• het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
Dit zijn tuchtinbreuken van zowel eerste als tweede categorie. Enkel de inbreuk van het niet-naleven van het huishoudelijk reglement werd in het vet aangeduid (artikel 130 Basiswet: inbreuken van tweede categorie). De maat van een bijzondere tuchtsanctie voor een inbreuk van tweede categorie (in casu het weerhouden van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen) bedraagt maximum vijftien dagen (artikel 133 Basiswet). De klachtencommissie stelt vast dat het onduidelijk is voor welke tuchtrechtelijke inbreuken klager precies werd gesanctioneerd en waarom die feiten die tuchtrechtelijke inbreuken uitmaken. Gelet op het bovenstaande, kon klager zodoende onmogelijk de precieze draagwijdte kennen van de ten aanzien van hem genomen tuchtbeslissing. Los van het gegeven dat de directie de feiten ten aanzien van klager mogelijks als bewezen kon beschouwen en hem daarvoor desgewenst ook tuchtrechtelijk kon sanctioneren, maakt de gebrekkige motivering en de bestreden tuchtsanctie (25 dagen individuele wandeling) onwettig. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.