Ga verder naar de inhoud

KC20/23-0034

Gegrond KC - Mechelen Klachtencommissie Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK

Klager bevestigde tijdens de zitting dat hij werd onderworpen aan een naaktfouille zonder dat hij nadien een beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam ontving. In het verweer van de directie heeft de directeur verklaard dat geen formulier werd gevonden. Een onderzoek aan het lichaam kan enkel door de directeur worden bevolen wanneer hij van oordeel is dat er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Bij gebreke aan een schriftelijke beslissing waaruit blijkt dat de directeur de fouillering op het lichaam had bevolen, is de klacht gegrond.

De klachtencommissie heeft kennis genomen van het RAD waarin de simpele vaststelling werd genoteerd dat opsteller zag hoe klager tijdens de wandeling een overgegooid pakketje in ontvangst nam en het doorgaf aan een gedetineerde. Zelfs indien klager zijn versie van de feiten klopt, namelijk dat men enkel kon gezien hebben hoe klager zijn horloge terug aannam van een gedetineerde na het uitvoeren van fitness-oefeningen, en hoewel klager dit op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting niet ter sprake bracht tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, is het doorgeven van voorwerpen tussen gedetineerden niet toegelaten. De klachtencommissie  ziet dan ook geen reden  waarom  de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet  enkel had  mogen  steunen op het rapport. De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuk van tweede categorie, nl. het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.

De klachtencommissie is echter van oordeel dat de directeur, op basis van de vaststellingen in het rapport, de feiten niet kon kwalificeren als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een inbreuk van eerste categorie. De klachtencommissie stelt vast dat de directeur de feiten van het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties bewezen acht, zonder dat daarbij tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting noch in de motivering van de tuchtbeslissing, wordt toegelicht hoe men tot het besluit is gekomen dat het aangenomen pakket wettelijk verboden voorwerpen of substanties bevatte. De klacht is gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing in zoverre de feiten gekwalificeerd worden als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.