TUCHT - RECHT VAN VERDEDIGING - BIJSTAND ADVOCAAT - TEGEMOETKOMING
De Basiswetwet bepaalt dat de gedetineerde het recht heeft zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat. Het is de verantwoordelijkheid van de directie om alles in het werk te stellen om, voor zover mogelijk, de daadwerkelijke aanwezigheid van de raadsman te verzekeren. Conform de Basiswet en Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 werd klager in kennis gesteld over de ten laste gelegde feiten waarover hij zou gehoord worden. De klachtencommissie stelt vast dat op het exemplaar van de gevangenisadministratie van het formulier “mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure” staat geschreven dat klager bijstand wenst van zijn advocaat en dat bovendien de naam van zijn advocaat alsook zijn telefoonnummer werden genoteerd. De klachtencommissie stelt vervolgens vast dat ondanks de gevraagde bijstand van een advocaat, er geen advocaat aanwezig was tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting meent de klachtencommissie dat klager geen afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand. De zitting werd echter niet uitgesteld. Het klachtenbureau heeft tenslotte verklaard dat er geen uitnodiging in het tuchtdossier zit. De klachtencommissie besluit hieruit dat de advocaat van klager niet werd opgeroepen voor de tuchtrechtelijke hoorzitting. De tuchtbeslissing werd bijgevolg genomen in strijd met het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 144, §4 van de Basiswet.
De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing. Aangezien de tuchtsanctie intussen werd uitgevoerd, gaat de klachtencommissie, na de directeur hierover te hebben gehoord, over tot de toekenning van één extra videobezoek als compensatie, dat dient te worden ingepland binnen de drie maanden vanaf de betekening van huidige beslissing.
De Basiswetwet bepaalt dat de gedetineerde het recht heeft zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat. Het is de verantwoordelijkheid van de directie om alles in het werk te stellen om, voor zover mogelijk, de daadwerkelijke aanwezigheid van de raadsman te verzekeren. Conform de Basiswet en Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 werd klager in kennis gesteld over de ten laste gelegde feiten waarover hij zou gehoord worden. De klachtencommissie stelt vast dat op het exemplaar van de gevangenisadministratie van het formulier “mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure” staat geschreven dat klager bijstand wenst van zijn advocaat en dat bovendien de naam van zijn advocaat alsook zijn telefoonnummer werden genoteerd. De klachtencommissie stelt vervolgens vast dat ondanks de gevraagde bijstand van een advocaat, er geen advocaat aanwezig was tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting meent de klachtencommissie dat klager geen afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand. De zitting werd echter niet uitgesteld. Het klachtenbureau heeft tenslotte verklaard dat er geen uitnodiging in het tuchtdossier zit. De klachtencommissie besluit hieruit dat de advocaat van klager niet werd opgeroepen voor de tuchtrechtelijke hoorzitting. De tuchtbeslissing werd bijgevolg genomen in strijd met het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 144, §4 van de Basiswet.
De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing. Aangezien de tuchtsanctie intussen werd uitgevoerd, gaat de klachtencommissie, na de directeur hierover te hebben gehoord, over tot de toekenning van één extra videobezoek als compensatie, dat dient te worden ingepland binnen de drie maanden vanaf de betekening van huidige beslissing.