KC20/23-0104
Ongegrond
KC - Mechelen
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - VERBODEN SUBSTANTIES - TUCHT
Volgens het rapport aan de directeur (RAD) werd tijdens een celcontrole in de cel van klager een muntstuk van vreemde valuta, verschillende zakjes met gekleurd poeder en twee voorgerolde sigaretten met een verboden substantie gevonden. Bovendien stelten de beambten vast dat er een raam was gebarsten. Omwille van de vondst van de twee gerolde sigaretten met daarin een bruine kleverige substantie, besloot de directeur om klager op voorlopige maatregel te zetten. In afwachting van de tuchtrechtelijke hoorzitting diende klager verplicht te verblijven in zijn cel en werd hij uitgesloten van deelname aan alle individuele en gemeenschappelijke activiteiten. De directeur meende dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast door de vondst van de verboden substantie op zijn cel. De klachtencommissie stelt aan de hand van het tuchtregister van klager vast dat er eerder al een bruine substantie werd gevonden. De klachtencommissie meent hieruit te besluiten dat klager op de hoogte was dat het bezit van drugs verboden is in de gevangenis en tuchtrechtelijk gesanctioneerd wordt. De klachtencommissie besluit dat het opleggen van de voorlopige maatregel voldoende gemotiveerd werd. De klacht is ongegrond.
Gelet op de inhoud van zijn klachtenformulier, is de klachtencommissie van oordeel dat klager de tuchtinbreuk en bijgevolg het opleggen van een sanctie niet langer betwist. Klager meent echter dat hij een te zware sanctie heeft gekregen en hij vraagt om de sanctie te herleiden. De klachtencommissie beperkt haar onderzoek bijgevolg tot de wettelijkheid en redelijkheid van de straftoemeting. In de tuchtbeslissing werd klager gesanctioneerd voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een inbreuk van eerste categorie en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen, een inbreuk van tweede categorie. De Basiswet bepaalt dat de directeur de keuze heeft over de aard en de omvang van de tuchtsanctie. De directeur dient enerzijds rekening te houden met de wettelijk bepaalde maximumsancties en anderzijds met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de sanctie. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie van 25 dagen ATV wettig was. De Basiswet voorziet dat wanneer de voorlopige maatregel omgevormd wordt naar een gelijkaardige tuchtsanctie, de tijd van de voorlopige maatregel in mindering van de tuchtsanctie moet worden gebracht. De klachtencommissie stelt aan de hand van het tuchtregister van klager vast dat bij de berekening van de tuchtsanctie men rekening hield met de tijd die klager doorbracht onder voorlopige maatregel. De klachtencommissie is tenslotte van oordeel dat de tuchtsanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de aard van de inbreuk die de orde en de veiligheid in de gevangenis in het gevaar brengt. De klacht is ongegrond.
Volgens het rapport aan de directeur (RAD) werd tijdens een celcontrole in de cel van klager een muntstuk van vreemde valuta, verschillende zakjes met gekleurd poeder en twee voorgerolde sigaretten met een verboden substantie gevonden. Bovendien stelten de beambten vast dat er een raam was gebarsten. Omwille van de vondst van de twee gerolde sigaretten met daarin een bruine kleverige substantie, besloot de directeur om klager op voorlopige maatregel te zetten. In afwachting van de tuchtrechtelijke hoorzitting diende klager verplicht te verblijven in zijn cel en werd hij uitgesloten van deelname aan alle individuele en gemeenschappelijke activiteiten. De directeur meende dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast door de vondst van de verboden substantie op zijn cel. De klachtencommissie stelt aan de hand van het tuchtregister van klager vast dat er eerder al een bruine substantie werd gevonden. De klachtencommissie meent hieruit te besluiten dat klager op de hoogte was dat het bezit van drugs verboden is in de gevangenis en tuchtrechtelijk gesanctioneerd wordt. De klachtencommissie besluit dat het opleggen van de voorlopige maatregel voldoende gemotiveerd werd. De klacht is ongegrond.
Gelet op de inhoud van zijn klachtenformulier, is de klachtencommissie van oordeel dat klager de tuchtinbreuk en bijgevolg het opleggen van een sanctie niet langer betwist. Klager meent echter dat hij een te zware sanctie heeft gekregen en hij vraagt om de sanctie te herleiden. De klachtencommissie beperkt haar onderzoek bijgevolg tot de wettelijkheid en redelijkheid van de straftoemeting. In de tuchtbeslissing werd klager gesanctioneerd voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een inbreuk van eerste categorie en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen, een inbreuk van tweede categorie. De Basiswet bepaalt dat de directeur de keuze heeft over de aard en de omvang van de tuchtsanctie. De directeur dient enerzijds rekening te houden met de wettelijk bepaalde maximumsancties en anderzijds met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de sanctie. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie van 25 dagen ATV wettig was. De Basiswet voorziet dat wanneer de voorlopige maatregel omgevormd wordt naar een gelijkaardige tuchtsanctie, de tijd van de voorlopige maatregel in mindering van de tuchtsanctie moet worden gebracht. De klachtencommissie stelt aan de hand van het tuchtregister van klager vast dat bij de berekening van de tuchtsanctie men rekening hield met de tijd die klager doorbracht onder voorlopige maatregel. De klachtencommissie is tenslotte van oordeel dat de tuchtsanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de aard van de inbreuk die de orde en de veiligheid in de gevangenis in het gevaar brengt. De klacht is ongegrond.