TUCHT - MOTIVERING
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 22 mei 2024 van de directie van de gevangenis van Mechelen.
De directeur nam kennis van de rapporten en besliste om een tuchtprocedure op te starten wegens:
- de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (eerste categorie);
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (tweede categorie);
- het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (tweede categorie);
- het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort (tweede categorie).
De klachtencommissie meent dat de feiten van geluidsoverlast, het niet-naleven van het huishoudelijk reglement en het geen gevolg geven van de aanmaningen van het personeel, duidelijk zijn en toe te rekenen zijn aan klager. De klachtencommissie meent dat de directie deze feiten in redelijkehid en billijkheid voor bewezen kon verklaren, en dat deze correct werden gekwalificeerd.
Wat betreft de beschadigingen aan het winket, is de klachtencommissie echter van oordeel dat een vergelijking van de celstaten (cel 228) met een overzicht van de schade bij in- en uittreden van de verschillende celgenoten in de periode tussen 28 januari 2024 en 10 juni 2024 geen verduidelijking brengt over de datum en omvang van de beschadiging(en) aan het winket, noch over de identiteit van diegene die de schade effectief heeft veroorzaakt. Bijgevolg meent de klachtencommissie dat in deze de directie niet het bewijs levert van de schuld van klager aan het ten laste gelegde feit (‘opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee’). De klachtencommissie besluit dat de directie de feiten van de beschadigingen aan het winket niet in redelijkheid en billijkheid voor bewezen kon verklaren. De tuchtbeslissing van 22 mei 2024 is op dit punt onvoldoende gemotiveerd en dus onwettig.
De klacht is om deze redenen gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing van 22 mei 2024 gedeeltelijk voor wat betreft de kwalificatie van de feiten van 15 mei 2024 als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee.
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 22 mei 2024 van de directie van de gevangenis van Mechelen.
De directeur nam kennis van de rapporten en besliste om een tuchtprocedure op te starten wegens:
- de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (eerste categorie);
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (tweede categorie);
- het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (tweede categorie);
- het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort (tweede categorie).
De klachtencommissie meent dat de feiten van geluidsoverlast, het niet-naleven van het huishoudelijk reglement en het geen gevolg geven van de aanmaningen van het personeel, duidelijk zijn en toe te rekenen zijn aan klager. De klachtencommissie meent dat de directie deze feiten in redelijkehid en billijkheid voor bewezen kon verklaren, en dat deze correct werden gekwalificeerd.
Wat betreft de beschadigingen aan het winket, is de klachtencommissie echter van oordeel dat een vergelijking van de celstaten (cel 228) met een overzicht van de schade bij in- en uittreden van de verschillende celgenoten in de periode tussen 28 januari 2024 en 10 juni 2024 geen verduidelijking brengt over de datum en omvang van de beschadiging(en) aan het winket, noch over de identiteit van diegene die de schade effectief heeft veroorzaakt. Bijgevolg meent de klachtencommissie dat in deze de directie niet het bewijs levert van de schuld van klager aan het ten laste gelegde feit (‘opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee’). De klachtencommissie besluit dat de directie de feiten van de beschadigingen aan het winket niet in redelijkheid en billijkheid voor bewezen kon verklaren. De tuchtbeslissing van 22 mei 2024 is op dit punt onvoldoende gemotiveerd en dus onwettig.
De klacht is om deze redenen gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing van 22 mei 2024 gedeeltelijk voor wat betreft de kwalificatie van de feiten van 15 mei 2024 als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee.