TUCHT - WERK
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat de twee rapporten duidelijk werden opgesteld. Klager betwist ook nergens dat de nazi-tekeningen van hem zijn of dat hij deze in zijn cel heeft opgehangen. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten de tuchtrechtelijke inbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” uitmaken en heeft gespecifieerd welke precieze bepaling van het huishoudelijk regelement overtreden werd, namelijk hoofdstuk XVI Orde en Veiligheid: iedere gedetineerde heeft de plicht om zorg te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzicht van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort. De klachtencommissie volgt de redenering van de directie dat ondanks klager verklaart dat het enkel om een fascinatie gaat, het ophangen van tekeningen met nazisymbolen en Swastika’s een gewelddadige en racistische ideologie vertegenwoordigen die niet kan worden getolereerd in een penitentiaire inrichting. Door deze tekeningen ook effectief op te hangen, hetgeen nergens ontkend werd door klager, is deze ideologie immers niet alleen zichtbaar voor klager zelf, maar ook voor anderen. Het ophangen van dergelijke extremistische symbolen kan de orde en veiligheid in de penitentiaire inrichting weldegelijke in het gevaar brengen of verstoren, doordat andere personen hier ernstig aanstoot aan kunnen nemen. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
Klager dient klacht in tegen de ordemaatregel inzake de verplaatsing naar een andere werkpost. Een gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. Het is de directeur die instaat voor de toewijzing van deze arbeid en dit aan de gedetineerden die om arbeid hebben verzocht. Ook het ontnemen van werk of het verplaatsen naar een andere werkpost is een beslissing die in principe toekomt aan de directeur. De klachtencommissie stelt vast dat klager een tuchtrechtelijke inbreuk heeft begaan waardoor hij niet langer geschikt is voor de arbeidspost of de werkrelatie niet langer mogelijk is (vertrouwensbreuk). De directie heeft uitgebreid gemotiveerd waarom zij klager niet meer geschikt acht voor de vertrouwensfunctie als diender technische dienst. De motivering laat toe dat de gedetineerde begrijpt waarom hij niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. De klachtencommissie is van oordeel dat deze beslissing niet onredelijk of onbillijk is. Klager komt als technisch diender immers in contact met andere gedetineerden, personeel en derden. Gelet op het feit dat hij zich tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting niet distantieert van deze symbolen die aanzien worden als racistisch en gewelddadig, volgt de klachtencommissie de redenering van de directie dat het risico bestaat dat extremistisch gedachtegoed op die manier kan worden doorgegeven en anderen hiertoe aanstoot kunnen nemen. De klachtencommissie merkt op dat klager in zijn klacht ook zelf verwijst naar het feit dat hij zichtbare tatoeages heeft van SS-tekens. Het feit dat klager als technisch diender in het bezit was van zwaar gereedschap, zorgt voor een bijkomend veiligheidsrisico.
De klachtencommissie acht de wijziging van de tewerkstellingspositie van klager ook niet onredelijk omdat de directie hem niet volledig uitsluit van tewerkstelling, maar klager net verplaatst naar een andere functie (poetser op de wandeling), waardoor klager op geen enkel moment werkloos was of geen inkomsten meer heeft.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat de twee rapporten duidelijk werden opgesteld. Klager betwist ook nergens dat de nazi-tekeningen van hem zijn of dat hij deze in zijn cel heeft opgehangen. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten de tuchtrechtelijke inbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” uitmaken en heeft gespecifieerd welke precieze bepaling van het huishoudelijk regelement overtreden werd, namelijk hoofdstuk XVI Orde en Veiligheid: iedere gedetineerde heeft de plicht om zorg te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzicht van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort. De klachtencommissie volgt de redenering van de directie dat ondanks klager verklaart dat het enkel om een fascinatie gaat, het ophangen van tekeningen met nazisymbolen en Swastika’s een gewelddadige en racistische ideologie vertegenwoordigen die niet kan worden getolereerd in een penitentiaire inrichting. Door deze tekeningen ook effectief op te hangen, hetgeen nergens ontkend werd door klager, is deze ideologie immers niet alleen zichtbaar voor klager zelf, maar ook voor anderen. Het ophangen van dergelijke extremistische symbolen kan de orde en veiligheid in de penitentiaire inrichting weldegelijke in het gevaar brengen of verstoren, doordat andere personen hier ernstig aanstoot aan kunnen nemen. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
Klager dient klacht in tegen de ordemaatregel inzake de verplaatsing naar een andere werkpost. Een gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. Het is de directeur die instaat voor de toewijzing van deze arbeid en dit aan de gedetineerden die om arbeid hebben verzocht. Ook het ontnemen van werk of het verplaatsen naar een andere werkpost is een beslissing die in principe toekomt aan de directeur. De klachtencommissie stelt vast dat klager een tuchtrechtelijke inbreuk heeft begaan waardoor hij niet langer geschikt is voor de arbeidspost of de werkrelatie niet langer mogelijk is (vertrouwensbreuk). De directie heeft uitgebreid gemotiveerd waarom zij klager niet meer geschikt acht voor de vertrouwensfunctie als diender technische dienst. De motivering laat toe dat de gedetineerde begrijpt waarom hij niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. De klachtencommissie is van oordeel dat deze beslissing niet onredelijk of onbillijk is. Klager komt als technisch diender immers in contact met andere gedetineerden, personeel en derden. Gelet op het feit dat hij zich tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting niet distantieert van deze symbolen die aanzien worden als racistisch en gewelddadig, volgt de klachtencommissie de redenering van de directie dat het risico bestaat dat extremistisch gedachtegoed op die manier kan worden doorgegeven en anderen hiertoe aanstoot kunnen nemen. De klachtencommissie merkt op dat klager in zijn klacht ook zelf verwijst naar het feit dat hij zichtbare tatoeages heeft van SS-tekens. Het feit dat klager als technisch diender in het bezit was van zwaar gereedschap, zorgt voor een bijkomend veiligheidsrisico.
De klachtencommissie acht de wijziging van de tewerkstellingspositie van klager ook niet onredelijk omdat de directie hem niet volledig uitsluit van tewerkstelling, maar klager net verplaatst naar een andere functie (poetser op de wandeling), waardoor klager op geen enkel moment werkloos was of geen inkomsten meer heeft.