KC20/26-0036
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Mechelen
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MOTIVERING
Klager dient klacht in tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam. De klachtencommissie vindt het op basis van het schrijven van klager allerminst duidelijk tegen welke beslissing hij klacht wenst in te dienen. Klager vermeldt geen datum van de bestreden beslissing en geeft ook geen enkele reden voor zijn klacht. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager dient klacht in tegen een ‘voorlopige maatregel’, dewelke een bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna: BVM) blijkt te zijn. De klachtencommissie acht de beslissing op een aantal punten gebrekkig. De directie verwijst in de motivering enkel naar een RAD van 15 mei 2026, zonder de daarin opgenomen materiële vaststellingen kort te hernemen. Hierdoor staat de motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel niet op zichzelf en kan ze enkel worden begrepen door ze samen met het RAD te lezen. Volgens de klachtencommissie wordt hierdoor niet voldaan aan de vereisten van artikel 8 Basiswet. De directie duidt daarnaast ook niet aan of deze feiten volgens haar een ernstige aanwijzing van een gevaar voor de orde dan wel de veiligheid betreffen. Afgaande op het RAD van 15 mei 2026 meent de klachtencommissie dat er in het voorliggend dossier sprake was van ernstige aanwijzingen van een gevaar voor de veiligheid (aangezien ook de fysieke integriteit van klager zelf hieronder valt). In het voorliggend dossier worden alle mogelijke maatregelen opgelegd. De noodzaak van elke opgelegde maatregel wordt op identieke en summiere wijze gemotiveerd, door loutere verwijzing naar het RAD waaruit zou blijken dat er een gevaar is voor de fysieke integriteit van klager zelf. De klachtencommissie stelt vast dat er daardoor in één en dezelfde beslissing zowel een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte wordt voorzien (dewelke normaal gezien de ‘reguliere cel’ van klager betreft, maar hier wordt er blijkbaar ook nog een ‘cel alleen’ voorzien), als de mogelijkheid wordt opengelaten om dit te verstrengen naar een onderbrenging in de beveiligde cel (“als bovenstaande maatregelen ontoereikend zijn”). Door wie dit dan kan beslist worden en volgens welke criteria is onduidelijk. Indien deze verstrenging zou toegepast worden, voorziet de directie daarnaast ook alweer in een mogelijke mildering (“desgevallend dagelijks te evalueren en bij gunstige evolutie overplaatsing naar een gewone cel met behoud van bovenstaande maatregelen”). Ook hier is het onduidelijk door wie deze evaluatie moet gebeuren en volgens welke criteria. De klachtencommissie wijst erop dat een beslissing waarbij alle maatregelen als mogelijkheid worden voorzien en op identieke wijze worden gemotiveerd en waarbij men achteraf nog een keuze kan maken tussen een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte of een onderbrenging in de beveiligde cel niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 110 j° artikel 8 Basiswet, aangezien met name niet gemotiveerd wordt waarom elke genomen maatregel op het moment van het nemen van de beslissing noodzakelijk is, in verhouding staat tot de bedreiging en dat ze van die aard is dat ze verhindert dat die bedreiging zich realiseert. Er moet bij aanvang uiteraard een duidelijke keuze gemaakt worden door de directie. De klachtencommissie wijst erop dat het voorzien van een mogelijke mildering bovendien steeds overbodig is, nu de bijzondere veiligheidsmaatregel altijd maar voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd mag worden opgelegd (artikel 112 Basiswet). De motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel voldoet niet aan de vereisten van artikel 8 j° artikel 110 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hierover geen duidelijke wens formuleerde in zijn klacht.
Klager dient klacht in tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam. De klachtencommissie vindt het op basis van het schrijven van klager allerminst duidelijk tegen welke beslissing hij klacht wenst in te dienen. Klager vermeldt geen datum van de bestreden beslissing en geeft ook geen enkele reden voor zijn klacht. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager dient klacht in tegen een ‘voorlopige maatregel’, dewelke een bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna: BVM) blijkt te zijn. De klachtencommissie acht de beslissing op een aantal punten gebrekkig. De directie verwijst in de motivering enkel naar een RAD van 15 mei 2026, zonder de daarin opgenomen materiële vaststellingen kort te hernemen. Hierdoor staat de motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel niet op zichzelf en kan ze enkel worden begrepen door ze samen met het RAD te lezen. Volgens de klachtencommissie wordt hierdoor niet voldaan aan de vereisten van artikel 8 Basiswet. De directie duidt daarnaast ook niet aan of deze feiten volgens haar een ernstige aanwijzing van een gevaar voor de orde dan wel de veiligheid betreffen. Afgaande op het RAD van 15 mei 2026 meent de klachtencommissie dat er in het voorliggend dossier sprake was van ernstige aanwijzingen van een gevaar voor de veiligheid (aangezien ook de fysieke integriteit van klager zelf hieronder valt). In het voorliggend dossier worden alle mogelijke maatregelen opgelegd. De noodzaak van elke opgelegde maatregel wordt op identieke en summiere wijze gemotiveerd, door loutere verwijzing naar het RAD waaruit zou blijken dat er een gevaar is voor de fysieke integriteit van klager zelf. De klachtencommissie stelt vast dat er daardoor in één en dezelfde beslissing zowel een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte wordt voorzien (dewelke normaal gezien de ‘reguliere cel’ van klager betreft, maar hier wordt er blijkbaar ook nog een ‘cel alleen’ voorzien), als de mogelijkheid wordt opengelaten om dit te verstrengen naar een onderbrenging in de beveiligde cel (“als bovenstaande maatregelen ontoereikend zijn”). Door wie dit dan kan beslist worden en volgens welke criteria is onduidelijk. Indien deze verstrenging zou toegepast worden, voorziet de directie daarnaast ook alweer in een mogelijke mildering (“desgevallend dagelijks te evalueren en bij gunstige evolutie overplaatsing naar een gewone cel met behoud van bovenstaande maatregelen”). Ook hier is het onduidelijk door wie deze evaluatie moet gebeuren en volgens welke criteria. De klachtencommissie wijst erop dat een beslissing waarbij alle maatregelen als mogelijkheid worden voorzien en op identieke wijze worden gemotiveerd en waarbij men achteraf nog een keuze kan maken tussen een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte of een onderbrenging in de beveiligde cel niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 110 j° artikel 8 Basiswet, aangezien met name niet gemotiveerd wordt waarom elke genomen maatregel op het moment van het nemen van de beslissing noodzakelijk is, in verhouding staat tot de bedreiging en dat ze van die aard is dat ze verhindert dat die bedreiging zich realiseert. Er moet bij aanvang uiteraard een duidelijke keuze gemaakt worden door de directie. De klachtencommissie wijst erop dat het voorzien van een mogelijke mildering bovendien steeds overbodig is, nu de bijzondere veiligheidsmaatregel altijd maar voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd mag worden opgelegd (artikel 112 Basiswet). De motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel voldoet niet aan de vereisten van artikel 8 j° artikel 110 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hierover geen duidelijke wens formuleerde in zijn klacht.