Ga verder naar de inhoud

KC21/22-0019

Gegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - KWALIFICATIE INBREUK - VERMOEDEN VAN ONSCHULD

De Klachtencommissie oordeelt dat de directie niet in alle redelijkheid kon oordelen dat er sprake was van bezit van drugs. De fouillering op het lichaam heeft tot doel na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van verboden substanties (artikel 108 §1, tweede lid van de Basiswet). Bij het aantreffen van verboden substanties kunnen deze in beslag worden genomen (artikel 108 §4 van de Basiswet). In casu werd er géén substantie aangetroffen noch afgenomen, hoewel de beambten overtuigd waren dat ze klager een pakketje hadden zien verstoppen. Klager werd nadien overgeplaatst naar de veiligheidscel. De Klachtencommissie vindt dit op zich een vreemde beslissing. Dit zou immers willen zeggen dat men klager op een cel zou hebben geplaatst, ervan overtuigd zijnde dat hij nog steeds in het bezit was van een verboden substantie. De vermeende substantie zou ingepakt zijn in een wit papiertje en verstopt op het lichaam van klager, doch onzichtbaar en niet recupereerbaar gedurende het verdere verloop van de fouillle op het lichaam. Langs de andere kant zou het pakketje wel een zodanige cannabisgeur gegeneerd hebben die waarneembaar is. De Klachtencommissie acht het onwaarschijnlijk dat het vermeende pakketje en de geurwaarneming gelinkt zijn en dat de geurwaarneming dus als ondersteunend bewijselement zou gelden voor het vermeende pakketje. De Klachtencommissie besluit dat er twijfel bestaat over het voorhanden zijn van enig pakketje, en a fortiori van een pakketje dat drugs zou bevatten. Twijfel dient in het voordeel van klager te spelen. De Klachtencommissie acht de feiten dan ook niet bewezen. De conclusie die de directie heeft getrokken op basis van het RAD is onredelijk. De tuchtbeslissing voldoet niet aan de vereisten van artikel 144, §6, tweede lid van de Basiswet juncto artikel 8 van de Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.