TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie de feiten zoals opgenomen in het RAD bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet), het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht die kwalificaties correct en voldoende gemotiveerd.
De tweede component van artikel 144 §6 Basiswet, namelijk de vraag of de tuchtrechtelijke inbreuk(en) ook aan de gedetineerde kan (kunnen) worden toegerekend, vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de inbreuk(en) een geïnterneerde is. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. Dit wordt ook toegelicht in de communicatie van DG EPI d.d. 2 december 2022 over de tuchtprocedure ten aanzien van geïnterneerden. In het voorliggend dossier motiveert de directie waarom ze klager verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten aan de hand van twee elementen: (1) De directie verwijst naar de deelname aan het normale regime. Een loutere verwijzing naar de deelname van klager aan het gewone regime is niet afdoende. Dat iemand deelneemt aan het gewone regime doet geen afbreuk aan de rechterlijke uitspraken op grond waarvan hij geïnterneerd werd (cfr. RvS nr. 251.295 van 22 juli 2021). (2) De directie verwijst naar de heldere uitleg van klager (ter tuchtzitting). De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De directie verwijst in haar motivering naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting. Hiermee spreekt zij zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. De directie motiveert aldus niet afdoende waarom ze klager in het voorliggend dossier verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten. Ze spreekt zich immers niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.
De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie de feiten zoals opgenomen in het RAD bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet), het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht die kwalificaties correct en voldoende gemotiveerd.
De tweede component van artikel 144 §6 Basiswet, namelijk de vraag of de tuchtrechtelijke inbreuk(en) ook aan de gedetineerde kan (kunnen) worden toegerekend, vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de inbreuk(en) een geïnterneerde is. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. Dit wordt ook toegelicht in de communicatie van DG EPI d.d. 2 december 2022 over de tuchtprocedure ten aanzien van geïnterneerden. In het voorliggend dossier motiveert de directie waarom ze klager verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten aan de hand van twee elementen: (1) De directie verwijst naar de deelname aan het normale regime. Een loutere verwijzing naar de deelname van klager aan het gewone regime is niet afdoende. Dat iemand deelneemt aan het gewone regime doet geen afbreuk aan de rechterlijke uitspraken op grond waarvan hij geïnterneerd werd (cfr. RvS nr. 251.295 van 22 juli 2021). (2) De directie verwijst naar de heldere uitleg van klager (ter tuchtzitting). De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De directie verwijst in haar motivering naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting. Hiermee spreekt zij zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. De directie motiveert aldus niet afdoende waarom ze klager in het voorliggend dossier verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten. Ze spreekt zich immers niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.