Ga verder naar de inhoud

KC21/23-0038

Gegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLE OP HET LICHAAM - MOTIVERING - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES

Gelet op het verbod op stelselmatige fouillering op het lichaam is het loutere feit dat een gedetineerde zonder toezicht in contact is geweest met derden of het gegeven dat hij de gevangenis terug betreedt, zonder bijkomende concrete en geïndividualiseerde elementen eigen aan de betrokken gedetineerde, onvoldoende om de fouillering op het lichaam te verantwoorden. De directie verwees dan ook bijkomend naar een tuchtinbreuk waarbij klager in het bezit werd gevonden van drugs, die dateert van oktober 2022. De directie haalt deze tuchtinbreuk aan om te stellen dat het risico dat klager verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties zal proberen binnensmokkelen als verhoogd wordt ingeschat. De klachtencommissie vindt deze eerdere tuchtinbreuk geen afdoende motivering nu het incident waarnaar de directie verwees zich in een andere context situeerde (niet gelinkt was aan een terugkeer na een UV) en er geen actuele informatie voorhanden was die de stelling van het verhoogd risico ondersteunde. De directie moet in de beslissing tot fouillering op het lichaam bovendien ook motiveren waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn (artikel 108 §2, tweede lid j° artikel 8 Basiswet). De bestreden beslissing bevat géén motieven die aangeven dat een onderzoek aan de kledij niet volstaat. De klacht is gegrond.

De directie betwist niet dat er bij de uitvoering van de fouille op het lichaam geen handdoek werd overhandigd, doch wijt dit aan het feit dat het hele incident volgens het personeel hiervoor te haastig verliep. Klager zou zich aan een zodanig snel tempo hebben ontkleed dat het personeel niet de kans kreeg om hem een handdoek aan te bieden. De klachtencommissie acht het zeer ongeloofwaardig dat klager zich, vanaf het moment dat hij te horen krijgt dat er een fouillering op het lichaam zou worden uitgevoerd, wetende wat hij op zijn lichaam verborgen had, zodanig snel zou uitkleden dat er geen moment vrij was waarin een personeelslid hem een handdoek kon overhandigen. De klachtencommissie is van oordeel dat de uitvoering van de fouillering gebrekkig was in zoverre er niet automatisch een handdoek werd verstrekt aan klager. Er is sprake van een schending van artikel 108 §3 Basiswet in samenhang gelezen met de procedure zoals opgelegd door bijlage 3 van CB 141. De klacht is gegrond.

Er werd een tuchtprocedure opgestart voor de voorwerpen die werden aan getroffen ter gelegenheid van een onrechtmatige fouillering op het lichaam. De klachtencommissie herinnert eraan dat een onwettige fouillering op het lichaam alles wat eruit volgt corrumpeert. Een tuchtbeslissing kan dan ook niet overeind blijven indien ze (enkel) gebaseerd is op vondsten tijdens een onwettige fouillering op het lichaam, zonder dat er daarnaast andere (rechtmatig verkregen) elementen zijn op basis waarvan de beslissing kon genomen worden (RvS nr. 234.378). In het voorliggend dossier baseerde de directie haar tuchtbeslissing op de onrechtmatig verkregen bewijselementen en de verklaringen die klager hierover aflegde. Volgens de klachtencommissie kan de tuchtbeslissing dan ook niet overeind blijven. De klacht is gegrond.