TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
Tuchtbeslissing 21 juni 2023:
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (medegedetineerde bij de keel grijpen en tegen de muur duwen) bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) De uitleg van de beweegredenen tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. Bovendien lichtte klager ter tuchtzitting toe dat hij zich niet rustig kon houden omdat de andere partij zich lacherig opstelde tijdens de discussie. Dit element werd ook overgenomen in de tuchtbeslissing. De klachtencommissie meent dat deze uitleg van klager ter tuchtzitting net vragen doet rijzen over de controle die klager op het moment van de feiten over zijn daden had.
(2) In het RAD zijn er geen aanwijzingen dat klager op het moment van de feiten ontoerekenbaar was; hij plande doelbewust zijn handelingen. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD, zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. De klachtencommissie herinnert er echter aan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Een loutere afwezigheid van (extra) aanwijzingen in het RAD wijzigt dit gegeven dan ook niet. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
De klachtencommissie ziet in het RAD en in de uitleg van klager ter tuchtzitting elementen die twijfel doen rijzen omtrent het gegeven of klager op het ogenblik van de feiten controle had over zijn daden. Artikel 144 §1 in fine Basiswet stelt dat de directeur zich alle nuttige informatie laat bezorgen voor de beoordeling van de zaak. In het voorliggend dossier impliceerde deze verplichting volgens de klachtencommissie dat de directie zich een advies van de arts inzake de toerekenbaarheid moest laten bezorgen, nu hier volgens de klachtencommissie op basis van de beschrijving van de feiten wel degelijk twijfel over bestaat. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.
Tuchtbeslissing 23 juni:
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (slag toebrengen aan een medegedetineerde) bewezen achtte en klager als dader ervan bestempelde. De klachtencommissie acht de redenering die de directie hierbij opbouwde (klager spurtte op het ogenblik van de vaststellingen terug naar zijn douchecabine; klager dreigde de dag voordien nog om de medegedetineerde iets aan te doen) redelijk. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van het gegeven dat zijn handelen toonde dat hij helder functioneerde. De directie verwijst met name naar het gegeven dat klager terug spurtte naar zijn cabine op het moment dat het personeel ter plaatse kwam. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich uitspreekt over het concrete handelen van klager en dus over zijn toestand op het moment van de feiten. De klachtencommissie acht de conclusie die de directie in het voorliggend dossier trok omtrent de toerekenbaarheid van de feiten redelijk. De toerekenbaarheid van de feiten werd afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.
Tuchtbeslissing 21 juni 2023:
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (medegedetineerde bij de keel grijpen en tegen de muur duwen) bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) De uitleg van de beweegredenen tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. Bovendien lichtte klager ter tuchtzitting toe dat hij zich niet rustig kon houden omdat de andere partij zich lacherig opstelde tijdens de discussie. Dit element werd ook overgenomen in de tuchtbeslissing. De klachtencommissie meent dat deze uitleg van klager ter tuchtzitting net vragen doet rijzen over de controle die klager op het moment van de feiten over zijn daden had.
(2) In het RAD zijn er geen aanwijzingen dat klager op het moment van de feiten ontoerekenbaar was; hij plande doelbewust zijn handelingen. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD, zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. De klachtencommissie herinnert er echter aan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Een loutere afwezigheid van (extra) aanwijzingen in het RAD wijzigt dit gegeven dan ook niet. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
De klachtencommissie ziet in het RAD en in de uitleg van klager ter tuchtzitting elementen die twijfel doen rijzen omtrent het gegeven of klager op het ogenblik van de feiten controle had over zijn daden. Artikel 144 §1 in fine Basiswet stelt dat de directeur zich alle nuttige informatie laat bezorgen voor de beoordeling van de zaak. In het voorliggend dossier impliceerde deze verplichting volgens de klachtencommissie dat de directie zich een advies van de arts inzake de toerekenbaarheid moest laten bezorgen, nu hier volgens de klachtencommissie op basis van de beschrijving van de feiten wel degelijk twijfel over bestaat. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.
Tuchtbeslissing 23 juni:
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (slag toebrengen aan een medegedetineerde) bewezen achtte en klager als dader ervan bestempelde. De klachtencommissie acht de redenering die de directie hierbij opbouwde (klager spurtte op het ogenblik van de vaststellingen terug naar zijn douchecabine; klager dreigde de dag voordien nog om de medegedetineerde iets aan te doen) redelijk. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van het gegeven dat zijn handelen toonde dat hij helder functioneerde. De directie verwijst met name naar het gegeven dat klager terug spurtte naar zijn cabine op het moment dat het personeel ter plaatse kwam. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich uitspreekt over het concrete handelen van klager en dus over zijn toestand op het moment van de feiten. De klachtencommissie acht de conclusie die de directie in het voorliggend dossier trok omtrent de toerekenbaarheid van de feiten redelijk. De toerekenbaarheid van de feiten werd afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.