KC21/23-0081
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Merksplas
Klachtencommissie
Overplaatsing
Tucht
Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - OVERPLAATSING - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID
De klachtencommissie spreekt zich enkel uit over beslissingen genomen door de directie op basis van de Basiswet en de daaruit voortvloeiende regelgeving, d.w.z. over de ‘interne rechtspositie’. Een klacht die handelt over een uitgaansvergunning, hetgeen handelt over de ‘externe rechtspositie’ van de geïnterneerde, valt buiten de bevoegdheid van de klachtencommissie. De klacht is niet-ontvankelijk.
Een beslissing inzake overplaatsing wordt genomen door ambtenaren van de penitentiaire administratie die daartoe door de directeur-generaal worden aangewezen (artikel 18 §1 Basiswet). Dergelijke beslissing is géén beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 van de Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie voortging op de materiële vaststellingen in het RAD en de feiten van de kapotte ventilator bewezen achtte. De redenering die de directie daarbij opbouwde (de ventilator was nog niet eerder kapot aangezien klager er nog geen melding van maakte én de ventilator ging vermoedelijk kapot door waterschade, veroorzaakt door klager) gaat volgens de klachtencommissie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Klager bracht ter tuchtzitting een coherent verhaal. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Klager bracht op het moment van het melden van de schade een coherent verhaal. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het moment van de melding van de schade (die rechtstreeks leidde tot de materiële vaststellingen in het RAD), zich terecht (zoveel als mogelijk) uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. De klachtencommissie houdt er rekening mee dat enkel de gevolgen van het handelen van klager konden worden vastgesteld. Op het moment van de eigenlijke feiten was er niemand aanwezig. Klager werd niet op heterdaad betrapt. Aangezien het water op het ogenblik van de materiële vaststellingen in het RAD nog steeds zichtbaar uit de ventilator drupte, gaat de klachtencommissie ervan uit dat de feiten zich niet lang voorafgaand aan de melding kunnen hebben voorgedaan. De beoordeling die de directie maakte sloot dan ook zo goed mogelijk aan bij de beoordeling van de toestand van klager op het moment van de feiten. In het voorliggend dossier acht de klachtencommissie de conclusie die de directie trok omtrent de toerekenbaarheid van de feiten redelijk. De klachtencommissie acht het waarschijnlijk dat er water in de voet van de ventilator terechtkwam doordat klager, gelet op het gegeven dat er ook waterplassen zichtbaar waren in zijn verblijfsruimte, erg enthousiast gepoetst heeft. De klachtencommissie is niet van oordeel dat er een geestesstoornis ten grondslag lag aan het handelen van klager. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan er voor een maximumduur van 30 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° Basiswet).
Klager kreeg 3 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
De klachtencommissie spreekt zich enkel uit over beslissingen genomen door de directie op basis van de Basiswet en de daaruit voortvloeiende regelgeving, d.w.z. over de ‘interne rechtspositie’. Een klacht die handelt over een uitgaansvergunning, hetgeen handelt over de ‘externe rechtspositie’ van de geïnterneerde, valt buiten de bevoegdheid van de klachtencommissie. De klacht is niet-ontvankelijk.
Een beslissing inzake overplaatsing wordt genomen door ambtenaren van de penitentiaire administratie die daartoe door de directeur-generaal worden aangewezen (artikel 18 §1 Basiswet). Dergelijke beslissing is géén beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 van de Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie voortging op de materiële vaststellingen in het RAD en de feiten van de kapotte ventilator bewezen achtte. De redenering die de directie daarbij opbouwde (de ventilator was nog niet eerder kapot aangezien klager er nog geen melding van maakte én de ventilator ging vermoedelijk kapot door waterschade, veroorzaakt door klager) gaat volgens de klachtencommissie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Klager bracht ter tuchtzitting een coherent verhaal. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Klager bracht op het moment van het melden van de schade een coherent verhaal. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het moment van de melding van de schade (die rechtstreeks leidde tot de materiële vaststellingen in het RAD), zich terecht (zoveel als mogelijk) uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. De klachtencommissie houdt er rekening mee dat enkel de gevolgen van het handelen van klager konden worden vastgesteld. Op het moment van de eigenlijke feiten was er niemand aanwezig. Klager werd niet op heterdaad betrapt. Aangezien het water op het ogenblik van de materiële vaststellingen in het RAD nog steeds zichtbaar uit de ventilator drupte, gaat de klachtencommissie ervan uit dat de feiten zich niet lang voorafgaand aan de melding kunnen hebben voorgedaan. De beoordeling die de directie maakte sloot dan ook zo goed mogelijk aan bij de beoordeling van de toestand van klager op het moment van de feiten. In het voorliggend dossier acht de klachtencommissie de conclusie die de directie trok omtrent de toerekenbaarheid van de feiten redelijk. De klachtencommissie acht het waarschijnlijk dat er water in de voet van de ventilator terechtkwam doordat klager, gelet op het gegeven dat er ook waterplassen zichtbaar waren in zijn verblijfsruimte, erg enthousiast gepoetst heeft. De klachtencommissie is niet van oordeel dat er een geestesstoornis ten grondslag lag aan het handelen van klager. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan er voor een maximumduur van 30 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° Basiswet).
Klager kreeg 3 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.