Ga verder naar de inhoud

KC21/23-0145

Gegrond Tegemoetkoming KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - BIJSTAND ADVOCAAT - TOEREKENBAARHEID - TEGEMOETKOMING

De gedetineerde heeft het recht zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat (artikel 144 §4 Basiswet). In geval van internering is deze bijstand zelfs verplicht (artikel 167, §4 Basiswet). De wet specificeert daarbij niet dat dit per se een advocaat naar keuze van de gedetineerde moet zijn. Hoewel dit volgens de klachtencommissie natuurlijk wenselijk is, stelt de klachtencommissie in elk geval vast dat klager werd bijgestaan door “een” advocaat. Er is volgens de klachtencommissie dan ook géén sprake van een schending van de rechten van verdediging van klager op dit punt.

De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte op basis van het RAD. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.

De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende drie elementen:
(1) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.

(2) Het dagelijks gedrag en functioneren van klager toont aan dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag binnen detentie. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.

(3) Uit het RAD blijkt dat betrokkene zeer coherent was op het moment van de gepleegde feiten/inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt, vindt volgens de klachtencommissie echter onvoldoende ondersteuning in het eigenlijke RAD. De verwijzing naar het RAD is dan ook eerder een standaardmotivering, die niet aangepast is aan de concrete stukken van het dossier. Dit element is dan ook niet afdoende.

De toerekenbaarheid van de feiten werd niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra videobelmoment.