Ga verder naar de inhoud

KC21/23-0149

Gegrond Tegemoetkoming KC - Merksplas Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - BEVOEGDHEID - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING

De klachtencommissie vindt het op zich redelijk dat op basis van de feiten werd overgegaan tot het opleggen van een voorlopige maatregel ten gevolge waarvan klager op de beveiligde cel werd geplaatst en uitgesloten werd van de deelname aan alle individuele of gemeenschappelijke activiteiten.

De klachtencommissie meent echter sterke aanwijzingen te zien dat de voorlopige maatregel in feite door het personeel werd opgelegd en louter formeel werd bekrachtigd door een door de directrice ondertekende voorlopige maatregel. Ze komt tot deze conclusie op basis van de volgende elementen:
- In het RAD wordt er melding gemaakt van de plaatsing op de veiligheidscel maar niet van enige voorafgaande contactname met de directie.
- De bewoordingen van de motivering werden opgesteld vanuit het standpunt van het personeel.
- Het verslag van de tuchtzitting doet uitschijnen dat de directrice die de VM zou hebben opgelegd in feite niet goed op de hoogte was van de reden ervan.

Een voorlopige maatregel overeenkomstig artikel 145 Basiswet moet te allen tijde door de directeur zelf genomen worden (BC/22-0245). De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra wandeling.

Volgens de klachtencommissie voerde klager ter tuchtzitting geen geloofwaardige tegenindicaties aan. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte op basis van de twee gedetailleerde RAD’s. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.

De directie motiveerde dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Op de tuchthoorzitting kan klager zijn beweegredenen helder en coherent uitleggen. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) In het RAD zijn er geen aanwijzingen dat klager op het moment van de feiten ontoerekenbaar was. De directie leidt hieruit af dat klager zijn handelen doelbewust plande. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich, door te verwijzen naar het RAD, terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het RAD dient dan ook geen aanwijzingen in die zin te bevatten, aangezien de ontoerekenbaarheid verondersteld wordt. Het komt net aan de directie toe om te motiveren waarom ze de specifieke feiten wél toerekenbaar acht. De toevoeging “hij plande doelbewust zijn handelen” is volgens de klachtencommissie eerder een stijlclausule die op generlei wijze gestaafd wordt door het RAD in kwestie. Dit element is dan ook niet afdoende.

Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. Bovendien ziet de klachtencommissie in de RAD’s een aantal elementen die er net wél voor zorgen dat er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de geestelijke toestand van klager op het ogenblik waarop deze de feiten heeft gepleegd. Lezing van de RAD’s doet de klachtencommissie besluiten dat klager totaal onaangepast reageert op de situatie. Ook het personeel is op haar hoede voor zijn reactie; men vraagt versterking om hem de mededeling te doen dat hij nog niet van cel kan veranderen. De klachtencommissie is het dan ook niet eens met het standpunt van de directie ter zake.

De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra wandeling.