KC21/23-0162
Ongegrond
KC - Merksplas
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
REKENINGEN
De klachtencommissie meent dat de klacht tijdig werd ingediend omwille van de hiernavolgende redenen. Hoewel de storting (en blijkens de informatie van de directie van Turnhout, de terugstorting aan de externe firma) dateert van januari 2023, werd klager pas op een (veel) later moment in kennis gesteld. Dat het niet-ontvangen van een bedrag een (vermeende) beslissing tot niet-doorstorting van een uitbetaald bedrag betrof, wist klager pas op 26 oktober 2023, nadat de externe firma aan hem bevestigde dat zij het bedrag wel degelijk uitbetaalde. Klager kreeg dus pas op 26 oktober 2023 kennis van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen. Gelet op de ontvangstdatum van de klacht van klager (3 november 2023), meent de klachtencommissie dat klager bij ontdekking van dit gegeven zo spoedig als mogelijk klacht heeft ingediend tegen deze (vermeende) beslissing tot niet-doorstorting. De klacht is ontvankelijk.
Klager voert aan dat de directie het bedrag dat ze aan hem moe(s)t doorstorten bewust achterhoudt en hieromtrent liegt. De klachtencommissie stelt op basis van de informatie van de directie van Turnhout vast dat er weliswaar sprake is van een niet-doorstorting van het bedrag naar de rekening van klager (in de gevangenis van Turnhout), doch dat het niet zo is dat de directie van Merksplas het geld achterhoudt. De directie van Merksplas is immers zelf niet langer in het bezit van het geld, nu ze het op 27 januari 2023 reeds terugstortte aan de externe firma. Ze deed dit blijkens de informatie van de directie van Turnhout omdat klager zich op het moment van de uitbetaling niet langer in de gevangenis van Merksplas bevond (aangezien hij eind 2022 niet was teruggekeerd van een uitgaansvergunning). Hoewel achteraf gezien vervelend voor klager (aangezien hij uiteindelijk weer opgesloten werd waarna hij toegang zou kunnen hebben gehad tot dit geld), meent de klachtencommissie dat de inschatting die de directie van Merksplas maakte om het bedrag niet te laten staan op zijn rekening van Merksplas met het oog op een eventuele latere uitbetaling (lees in dit geval: doorstorting naar de rekening van klager in een andere gevangenis) als klager ooit weer opgesloten zou worden, maar het terug te storten aan de externe firma, niet onwettig of onredelijk was. De klacht is ongegrond.
De klachtencommissie meent dat de klacht tijdig werd ingediend omwille van de hiernavolgende redenen. Hoewel de storting (en blijkens de informatie van de directie van Turnhout, de terugstorting aan de externe firma) dateert van januari 2023, werd klager pas op een (veel) later moment in kennis gesteld. Dat het niet-ontvangen van een bedrag een (vermeende) beslissing tot niet-doorstorting van een uitbetaald bedrag betrof, wist klager pas op 26 oktober 2023, nadat de externe firma aan hem bevestigde dat zij het bedrag wel degelijk uitbetaalde. Klager kreeg dus pas op 26 oktober 2023 kennis van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen. Gelet op de ontvangstdatum van de klacht van klager (3 november 2023), meent de klachtencommissie dat klager bij ontdekking van dit gegeven zo spoedig als mogelijk klacht heeft ingediend tegen deze (vermeende) beslissing tot niet-doorstorting. De klacht is ontvankelijk.
Klager voert aan dat de directie het bedrag dat ze aan hem moe(s)t doorstorten bewust achterhoudt en hieromtrent liegt. De klachtencommissie stelt op basis van de informatie van de directie van Turnhout vast dat er weliswaar sprake is van een niet-doorstorting van het bedrag naar de rekening van klager (in de gevangenis van Turnhout), doch dat het niet zo is dat de directie van Merksplas het geld achterhoudt. De directie van Merksplas is immers zelf niet langer in het bezit van het geld, nu ze het op 27 januari 2023 reeds terugstortte aan de externe firma. Ze deed dit blijkens de informatie van de directie van Turnhout omdat klager zich op het moment van de uitbetaling niet langer in de gevangenis van Merksplas bevond (aangezien hij eind 2022 niet was teruggekeerd van een uitgaansvergunning). Hoewel achteraf gezien vervelend voor klager (aangezien hij uiteindelijk weer opgesloten werd waarna hij toegang zou kunnen hebben gehad tot dit geld), meent de klachtencommissie dat de inschatting die de directie van Merksplas maakte om het bedrag niet te laten staan op zijn rekening van Merksplas met het oog op een eventuele latere uitbetaling (lees in dit geval: doorstorting naar de rekening van klager in een andere gevangenis) als klager ooit weer opgesloten zou worden, maar het terug te storten aan de externe firma, niet onwettig of onredelijk was. De klacht is ongegrond.