KC21/23-0168
Ongegrond
Gegrond
KC - Merksplas
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
De klachtencommissie is van oordeel dat er inderdaad sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid doordat klager verwikkeld raakte in fysiek duw- en trekwerk met een medegedetineerde. De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie op basis van deze feiten overging tot het opleggen van een voorlopige maatregel ten gevolge waarvan klager verplicht in zijn verblijfsruimte moest blijven. De voorlopige maatregel werd afdoende gemotiveerd. De klacht is ongegrond.
Volgens de klachtencommissie voert klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet). Hoewel de klachtencommissie meent dat de feiten van het (loutere) duw- en trekwerk inderdaad gekwalificeerd kunnen worden als een aantasting van de orde, stelt ze vast dat de tuchtbeslissing door deze kwalificatie toch van enige onduidelijkheid getuigt omtrent de mate waarin de directie de verschillende feiten bewezen acht. De directie laat met name in het midden of ze klager ook schuldig acht aan de (poging tot) slag in het aangezicht. Een slag in het aangezicht maakt volgens de klachtencommissie een duidelijke aantasting van de fysieke integriteit van de medegedetineerde uit. Ook indien de slag niet raak zou zijn, gaat het nog steeds om een bedreiging van de fysieke integriteit. Indien de directie meende dat klager zich schuldig maakte aan de (poging tot) slag in het aangezicht (hetgeen impliciet blijkt uit de motivering) had de directie de feiten (ook) moeten kwalificeren als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet).
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende drie elementen:
(1) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Het dagelijks gedrag en functioneren van klager toont aan dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag binnen detentie. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Uit het RAD blijkt dat betrokkene zeer coherent was op het moment van de gepleegde feiten/inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt, vindt volgens de klachtencommissie echter geen ondersteuning in het eigenlijke RAD. Het RAD biedt geen enkele weergave van de concrete mondelinge interactie tussen klager en PA, noch van zijn geestestoestand tijdens dit gesprek. De klachtencommissie vindt het RAD dan ook niet van die aard dat hiermee gestaafd kan worden dat klager “zeer coherent” was op het ogenblik van de feiten. In het voorliggend dossier is de verwijzing naar het RAD volgens de klachtencommissie dan ook eerder een standaardmotivering, die niet aangepast is aan de concrete stukken van het dossier. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.
De klachtencommissie is van oordeel dat er inderdaad sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid doordat klager verwikkeld raakte in fysiek duw- en trekwerk met een medegedetineerde. De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie op basis van deze feiten overging tot het opleggen van een voorlopige maatregel ten gevolge waarvan klager verplicht in zijn verblijfsruimte moest blijven. De voorlopige maatregel werd afdoende gemotiveerd. De klacht is ongegrond.
Volgens de klachtencommissie voert klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet). Hoewel de klachtencommissie meent dat de feiten van het (loutere) duw- en trekwerk inderdaad gekwalificeerd kunnen worden als een aantasting van de orde, stelt ze vast dat de tuchtbeslissing door deze kwalificatie toch van enige onduidelijkheid getuigt omtrent de mate waarin de directie de verschillende feiten bewezen acht. De directie laat met name in het midden of ze klager ook schuldig acht aan de (poging tot) slag in het aangezicht. Een slag in het aangezicht maakt volgens de klachtencommissie een duidelijke aantasting van de fysieke integriteit van de medegedetineerde uit. Ook indien de slag niet raak zou zijn, gaat het nog steeds om een bedreiging van de fysieke integriteit. Indien de directie meende dat klager zich schuldig maakte aan de (poging tot) slag in het aangezicht (hetgeen impliciet blijkt uit de motivering) had de directie de feiten (ook) moeten kwalificeren als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet).
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende drie elementen:
(1) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Het dagelijks gedrag en functioneren van klager toont aan dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag binnen detentie. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Uit het RAD blijkt dat betrokkene zeer coherent was op het moment van de gepleegde feiten/inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt, vindt volgens de klachtencommissie echter geen ondersteuning in het eigenlijke RAD. Het RAD biedt geen enkele weergave van de concrete mondelinge interactie tussen klager en PA, noch van zijn geestestoestand tijdens dit gesprek. De klachtencommissie vindt het RAD dan ook niet van die aard dat hiermee gestaafd kan worden dat klager “zeer coherent” was op het ogenblik van de feiten. In het voorliggend dossier is de verwijzing naar het RAD volgens de klachtencommissie dan ook eerder een standaardmotivering, die niet aangepast is aan de concrete stukken van het dossier. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.