Ga verder naar de inhoud

KC21/23-0181

Onontvankelijk KC - Merksplas Klachtencommissie Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - TERMIJN

Op het eerste zicht beklaagt klager zich over het verzuim van het inrichtingshoofd om te antwoorden op zijn brief. Klager verzoekt om een (kopie van een) inventaris van zijn voorwerpen. Hij stelt die eerder nooit ontvangen te hebben en is van mening dat die nooit opgesteld werd.

Het opmaken van een inventaris kan beschouwd worden als een ‘beslissing’ in de zin van artikel 148 Basiswet. Wanneer de inventaris niet opgemaakt wordt, kan dit beschouwd worden als een ‘verzuim’ in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet. Het is volgens de klachtencommissie echter niet zo dat het inrichtingshoofd van Merksplas hier nú, zoveel maanden later, nog een ‘beslissing’ over zou moeten nemen en dat bij gebreke hieraan, er sprake is van een ‘verzuim’. Het niet-antwoorden op de brief van klager kan in het voorliggend dossier niet gelijkgeschakeld worden met een verzuim tot het opstellen van de inventaris (dat destijds bij de overbrenging van de voorwerpen al heeft plaatsgevonden).

Het (destijds) niet-opmaken of minstens ontbreken van de inventaris vormt volgens de klachtencommissie het werkelijke voorwerp van de klacht. Klager kaart met zijn brief aan het inrichtingshoofd een ‘oud verzuim’ aan. Dat hij dit verzuim vele maanden later opnieuw aankaart, maakt niet dat de verplichting om een inventaris op te maken opnieuw zou ‘herleven’. De inventaris komt immers tot stand op het moment dat de voorwerpen ingepakt worden. Het is praktisch onmogelijk om deze inventaris nog op een later tijdstip (wanneer de voorwerpen zich niet meer in de gevangenis bevinden) op te maken.

De klacht dient te worden ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen (artikel 150 §5 Basiswet). Het gegeven dat de inventaris ontbrak of minstens dat klager deze inventaris niet ontving, was al aan klager bekend op het moment dat hij zijn voorwerpen in ontvangst nam. Er werd hem op dat moment immers géén inventaris ter ondertekening voorgelegd, zoals de procedure voorziet. De indieningstermijn voor een klacht hiertegen begon vanaf die dag te lopen.

Een na afloop van de termijn van zeven dagen ingediende klacht kan alsnog ontvankelijk worden verklaard, indien rekening houdend met alle omstandigheden, de gedetineerde de klacht zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs van hem verlangd kan worden (artikel 150, §5, tweede lid Basiswet). De klachtencommissie meent géén toepassing te moeten maken van deze uitzondering. Klager werd er immers in de beslissing van de KC Turnhout, waarnaar hij zelf verwijst in zijn klacht, op gewezen dat er potentieel sprake was van een tekortkoming aan de kant van de gevangenis van Merksplas zoals het niet-opstellen van een inventaris. (KC32/23-0112)

De beslissing van de KC Turnhout dateert al van 24 juli 2023. Klager wachtte nog tot 1 oktober 2023 alvorens het inrichtingshoofd van Merksplas over de kwestie aan te schrijven. Vervolgens wachtte hij nog eens bijna 2 maanden alvorens het gebrek aan reactie bij de KC Merksplas aan te kaarten. Volgens de klachtencommissie werd de klacht in het voorliggend dossier dan ook niet zo spoedig mogelijk ingediend als redelijkerwijs verlangd kon worden. De klacht is niet-ontvankelijk.