Ga verder naar de inhoud

KC21/24-0134

Gegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 4 oktober 2024. Hierin wordt beschreven hoe klager pas na 7u aan een beambte meldt dat hij de dokter wenst te spreken omdat hij ziek is. Op het moment dat hij dient klaar te staan voor de werkbeweging naar PASEC weigert hij te gaan werken, verwijzend naar zijn aanvraag voor de dokter, ook al werd hem meegedeeld dat hij zijn aanvraag te laat deed. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.

De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Het dagelijks functioneren van klager. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. In geval van een geïnterneerde is ontoerekenbaarheid het uitgangspunt. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Het RAD. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich met een verwijzing naar het RAD terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt, vindt echter geen ondersteuning in het eigenlijke RAD. Het RAD bevat immers geen enkele informatie omtrent de geestestoestand van klager. In het voorliggend dossier is de verwijzing naar het RAD dan ook eerder een standaardmotivering, die niet aangepast is aan de concrete stukken van het dossier. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) De uitleg ter tuchtzitting. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.