Ga verder naar de inhoud

KC21/24-0138

Gegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht
TUCHT - BEWIJS - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING

In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 8 oktober 2024. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de materiële vaststellingen in het RAD van 8 oktober 2024. De klachtencommissie meent dat uit de vaststellingen genoegzaam blijkt dat er sprake was van een open vuur, waarbij klager weigerde om het kookmateriaal buiten te geven. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (negeren van het bevel om het kookmateriaal buiten te geven) bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten (het negeren van het bevel om het kookmateriaal buiten te geven) als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.

Klager stelde in zijn klacht dat hem het “verkeerd gebruik van materiaal” ten laste werd gelegd, doch de directie wijst er in haar verweer op dat dit niet hetgeen is waarvoor klager bestraft wordt. De klachtencommissie begrijpt dat er in hoofde van klager verwarring bestaat, nu de directie ter tuchtzitting en ook in de motivering van de tuchtbeslissing niet alleen ingaat op het negeren van het bevel van het personeelslid om het kookmateriaal buiten te geven, doch ook elementen aanhaalt die het koken op zich aan klager toeschrijven. De klachtencommissie merkt hierover de volgende zaken op. Uit geen van de RAD’s blijkt dat klager daadwerkelijk zélf gekookt heeft. Wel heeft hij naar eigen zeggen van de maaltijd gegeten en ook de afwas gedaan, hetgeen volgens de klachtencommissie als deelneming aan deze feiten kan bestempeld worden, hetgeen bestraft kan worden met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf (artikel 131 Basiswet).

De directie bestempelt het incident van 8 oktober 2024 (het koken op open vuur an sich) eveneens als het niet opvolgen van de aanmaningen van het personeel. Ze verwijst hiervoor naar een eerdere waarschuwing die de beambte op 22 september 2024 gaf dat koken op open vuur gevaarlijk is en dat het zich niet meer mag herhalen. Hiervan werd op dat ogenblik schijnbaar geen RAD opgesteld, doch dit incident werd dan meer dan twee weken later beschreven in het RAD van 8 oktober 2024. Deze waarschuwing van 22 september 2024 zou op 8 oktober 2024 de niet-gevolgde aanmaning betreffen. De klachtencommissie acht het geen correcte werkwijze om een vaststelling te doen over de niet-opvolging van een aanmaning van meer dan twee weken eerder. Bovendien was de aanmaning niet meer dan het herhalen van hetgeen er volgens het huishoudelijk reglement verboden is. Het feit dat er opnieuw gekookt werd (waarbij klager zich volgens de klachtencommissie schuldig maakte aan deelneming) diende dan ook gekwalificeerd te worden als een inbreuk op het huishoudelijk reglement (artikel 130, 2° Basiswet). Het kon niet bestempeld worden als (nog) een aanmaning die niet werd opgevolgd.

De klachtencommissie meent dan ook dat (de motivering van) de tuchtbeslissing beperkt dient te worden tot het element dat duidelijk en onomstotelijk werd vastgesteld én door de directie afdoende werd gemotiveerd, en stelt haar motivering in de plaats.

Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie en kreeg een tuchtsanctie van 6 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk, zelfs indien klager maar één niet-volgen van een aanmaning ten laste wordt gelegd (zie vorig punt). De klacht is gegrond.