KC21/25-0023
Gegrond
KC - Merksplas
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
Tucht
BVM - BEVEILIGDE CEL - TUCHT - TERMIJN
Wat betreft de BVM:
Klager werd spoedig gehoord in het kader van een tuchtprocedure op 24/02/2025. Er werd een “verslag tuchtrechtelijke hoorzitting” opgesteld. Er werd diezelfde dag een BVM opgelegd aan klager bestaande uit de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn. De feiten die aanleiding geven tot de BVM (“verstoren van de orde”, “gezien de voortdurende weigering en de ontstane verstoring binnen de inricht, wordt de maatregel opgelegd om de orde en veiligheid te handhaven”), zijn feiten die ook aanleiding kunnen geven tot een tuchtprocedure.
In casu werd een tuchtprocedure ingesteld op 22/02/2025 (mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure), klager gehoord op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 24/02/2025, vervolgens diezelfde dag een BVM opgelegd en op 26/02/2025 een tuchtbeslissing genomen n.a.v. dezelfde feiten. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in haar beslissing haar keuze voor het opleggen van een BVM op 24/02/2025 – en niet een tuchtsanctie op diezelfde dag, maar pas 2 dagen later - niet heeft gemotiveerd.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie hiermee artikel 111, §§2-3 van de Basiswet alsook haar motiveringsplicht uit artikel 112 en artikel 8 van de Basiswet heeft geschonden. De klachtencommissie merkt ten overvloede op dat bij de berekening van de duurtijd van de BVM (24/02/2025 – 03/03/2025), ten onrechte geen rekening werd gehouden met de periode die klager reeds had doorgebracht onder voorlopige maatregel sinds 22/02/2025 waardoor klager de facto langer dan zeven dagen de bijzondere veiligheidsmaatregelen moest ondergaan. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de BVM van 24/02/2025 onwettig was. Om deze redenen is de klacht tegen de BVM gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van 26/02/2025 van 7 dagen ATV voor de tuchtinbreuk van de eerste categorie “de opzettelijke aantasting van de orde”. De directie nam pas een tuchtbeslissing op 26/02/2025. Vermits er meer dan 24 uur is verstreken tussen het einde van tuchtrechtelijke hoorzitting en het ogenblik waarop de tuchtbeslissing werd uitgesproken, meent de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet aan artikel 144, §6 van de Basiswet voldoet. De klacht is om deze redenen gegrond.
Wat betreft de BVM:
Klager werd spoedig gehoord in het kader van een tuchtprocedure op 24/02/2025. Er werd een “verslag tuchtrechtelijke hoorzitting” opgesteld. Er werd diezelfde dag een BVM opgelegd aan klager bestaande uit de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn. De feiten die aanleiding geven tot de BVM (“verstoren van de orde”, “gezien de voortdurende weigering en de ontstane verstoring binnen de inricht, wordt de maatregel opgelegd om de orde en veiligheid te handhaven”), zijn feiten die ook aanleiding kunnen geven tot een tuchtprocedure.
In casu werd een tuchtprocedure ingesteld op 22/02/2025 (mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure), klager gehoord op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 24/02/2025, vervolgens diezelfde dag een BVM opgelegd en op 26/02/2025 een tuchtbeslissing genomen n.a.v. dezelfde feiten. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in haar beslissing haar keuze voor het opleggen van een BVM op 24/02/2025 – en niet een tuchtsanctie op diezelfde dag, maar pas 2 dagen later - niet heeft gemotiveerd.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie hiermee artikel 111, §§2-3 van de Basiswet alsook haar motiveringsplicht uit artikel 112 en artikel 8 van de Basiswet heeft geschonden. De klachtencommissie merkt ten overvloede op dat bij de berekening van de duurtijd van de BVM (24/02/2025 – 03/03/2025), ten onrechte geen rekening werd gehouden met de periode die klager reeds had doorgebracht onder voorlopige maatregel sinds 22/02/2025 waardoor klager de facto langer dan zeven dagen de bijzondere veiligheidsmaatregelen moest ondergaan. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de BVM van 24/02/2025 onwettig was. Om deze redenen is de klacht tegen de BVM gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van 26/02/2025 van 7 dagen ATV voor de tuchtinbreuk van de eerste categorie “de opzettelijke aantasting van de orde”. De directie nam pas een tuchtbeslissing op 26/02/2025. Vermits er meer dan 24 uur is verstreken tussen het einde van tuchtrechtelijke hoorzitting en het ogenblik waarop de tuchtbeslissing werd uitgesproken, meent de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet aan artikel 144, §6 van de Basiswet voldoet. De klacht is om deze redenen gegrond.