KC21/25-0087
Ongegrond
Gegrond
KC - Merksplas
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING
Klager dient klacht in tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam. De directie haalde als individuele aanwijzing aan dat klager onder invloed van vloeibare drugs en in het bezit van een joint werd binnengebracht door een ziekenwagen. De klachtencommissie verduidelijkt dat het feit dat klager zich initieel niet op de gevangenissite bevond, in tegenstelling tot hetgeen klager aanvoert, niet verhindert dat de directie tot een fouillering op het lichaam kon besluiten van zodra dit wél het geval was. Uit de dossierstukken blijkt dat de beslissing tot fouillering op het lichaam werd genomen om 21u30. Uit de verklaringen van de directie ter zitting van de klachtencommissie blijkt dat klager om 21u07 werd ingeschreven. Op het ogenblik van de beslissing tot fouillering bevond klager zich dus al een 20-tal minuten in de gevangenis. Hij was nog steeds onder invloed, zodat de individuele aanwijzing wel degelijk actueel was en ook (opnieuw) werd vastgesteld in de gevangenis. De klachtencommissie acht de individuele aanwijzing voldoende geconcretiseerd. In de bestreden beslissing wordt bovendien gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om het bezit van een verboden substantie te achterhalen. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel. Volgens de klachtencommissie is de beslissing gebrekkig op de volgende wijze. De opdeling in artikel 145 Basiswet werd niet gerespecteerd. Alle voorlopige maatregelen werden volgens de aankruising op het formulier opgelegd op grond van “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” (artikel 145, eerste lid Basiswet). Ook de schriftelijke motivering werd op het formulier (enkel) onder deze rechtsgrond geplaatst. Nochtans hadden de maatregelen van de ontneming of onthouding van voorwerpen, uitsluiting van deelname aan activiteiten en observatie gemotiveerd moeten worden op basis van een “gevaar voor de orde of de veiligheid”. De klachtencommissie meent dat dit te wijten is aan het formulier CB 124 bijlage 6 zoals ontworpen door DG EPI. In bijlage 6 gaat DG EPI ervan uit dat een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, eerste lid Basiswet) ook steeds een “louter” gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, tweede lid Basiswet) inhoudt, waardoor de minder zware maatregelen óók onder de eerste rechtsgrond mogen worden opgelegd. De Nederlandstalige Beroepscommissie aanvaardt deze visie (BC/24-0222). Uiteraard moet de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid wel nog steeds voldoende worden aangetoond. De klachtencommissie stelt vast dat er in de voorlopige maatregel wordt overgegaan tot een relaas van de feiten. In welke zin de (finaal vastgestelde) toestand van klager een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (of ook: een gevaar voor de orde of de veiligheid, zie vorige paragraaf) uitmaakt, wordt helemaal niet geëxpliciteerd. De voorlopige maatregel werd dan ook op onvoldoende gemotiveerde wijze genomen waardoor ze niet voldoet aan artikel 145 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.
Klager dient klacht in tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam. De directie haalde als individuele aanwijzing aan dat klager onder invloed van vloeibare drugs en in het bezit van een joint werd binnengebracht door een ziekenwagen. De klachtencommissie verduidelijkt dat het feit dat klager zich initieel niet op de gevangenissite bevond, in tegenstelling tot hetgeen klager aanvoert, niet verhindert dat de directie tot een fouillering op het lichaam kon besluiten van zodra dit wél het geval was. Uit de dossierstukken blijkt dat de beslissing tot fouillering op het lichaam werd genomen om 21u30. Uit de verklaringen van de directie ter zitting van de klachtencommissie blijkt dat klager om 21u07 werd ingeschreven. Op het ogenblik van de beslissing tot fouillering bevond klager zich dus al een 20-tal minuten in de gevangenis. Hij was nog steeds onder invloed, zodat de individuele aanwijzing wel degelijk actueel was en ook (opnieuw) werd vastgesteld in de gevangenis. De klachtencommissie acht de individuele aanwijzing voldoende geconcretiseerd. In de bestreden beslissing wordt bovendien gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om het bezit van een verboden substantie te achterhalen. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel. Volgens de klachtencommissie is de beslissing gebrekkig op de volgende wijze. De opdeling in artikel 145 Basiswet werd niet gerespecteerd. Alle voorlopige maatregelen werden volgens de aankruising op het formulier opgelegd op grond van “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” (artikel 145, eerste lid Basiswet). Ook de schriftelijke motivering werd op het formulier (enkel) onder deze rechtsgrond geplaatst. Nochtans hadden de maatregelen van de ontneming of onthouding van voorwerpen, uitsluiting van deelname aan activiteiten en observatie gemotiveerd moeten worden op basis van een “gevaar voor de orde of de veiligheid”. De klachtencommissie meent dat dit te wijten is aan het formulier CB 124 bijlage 6 zoals ontworpen door DG EPI. In bijlage 6 gaat DG EPI ervan uit dat een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, eerste lid Basiswet) ook steeds een “louter” gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, tweede lid Basiswet) inhoudt, waardoor de minder zware maatregelen óók onder de eerste rechtsgrond mogen worden opgelegd. De Nederlandstalige Beroepscommissie aanvaardt deze visie (BC/24-0222). Uiteraard moet de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid wel nog steeds voldoende worden aangetoond. De klachtencommissie stelt vast dat er in de voorlopige maatregel wordt overgegaan tot een relaas van de feiten. In welke zin de (finaal vastgestelde) toestand van klager een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (of ook: een gevaar voor de orde of de veiligheid, zie vorige paragraaf) uitmaakt, wordt helemaal niet geëxpliciteerd. De voorlopige maatregel werd dan ook op onvoldoende gemotiveerde wijze genomen waardoor ze niet voldoet aan artikel 145 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.