Ga verder naar de inhoud

KC21/25-0099

Gegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten naar eigen zeggen gebaseerd op getuigenverklaringen en materiële aanwijzingen en de gedeeltelijke erkenning van klager ter tuchtzitting. In het RAD van 13 juni 2025 wordt beschreven hoe er restanten van GHB en een joint worden aangetroffen in de rugzak van klager. De klachtencommissie wijst erop dat het RAD (dat zou handelen over vaststellingen om 20u45, maar waarbij het feitenrelaas begint om 20u50) onduidelijkheid schept over wie de vondsten heeft gedaan. Enkel uit het administratief verslag inzake verboden middelen leidt de klachtencommissie af dat het een beambte is die de verboden substanties aantrof. Dat verslag situeert de vondst echter om 22u00. De klachtencommissie herhaalt het belang van nauwkeurig opgestelde dossierstukken.

Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. Aangezien de verboden substanties in de rugzak van klager werden aangetroffen bij zijn terugkeer, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directie deze feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie van het bezit correct en afdoende gemotiveerd.

De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De klachtencommissie stelt vast dat de directie ervan uitgaat dat klager de (hele) dag van de uitgaansvergunning, waarop hij zich zelfstandig verplaatste, toerekeningsvatbaar was. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden op een bepaalde datum, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. De klachtencommissie begrijpt uit de dossierstukken dat klager de voorwaarden tot toelating van zijn uitgaansvergunning heeft geschonden, doch wijst erop dat ook dit geen motivering biedt voor de toerekenbaarheid van de tuchtfeiten. De klachtencommissie verduidelijkt dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor die feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Klager werd gesanctioneerd voor het bezit van verboden substanties bij terugkeer uit UV. In het voorliggend dossier was het moment van de feiten aldus het moment waarop klager de gevangenis binnenkwam. In klager zijn geval werd hij in de gevangenis binnengebracht. Uit het RAD van 13 juni 2025 blijkt dat klager op dat ogenblik onder invloed was van drugs. Hij viel geregeld in slaap en was totaal niet aanspreekbaar. Volgens de klachtencommissie kan men dan ook moeilijk besluiten dat klager op het ogenblik van de feiten helder en bewust was en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De toerekenbaarheid van de feiten werd dan ook niet afdoende gemotiveerd conform artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.