Ga verder naar de inhoud

KC21/25-0107

Gegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 18 juni 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager een verbaal agressieve discussie voerde omtrent het einde van zijn douchemoment. Nadien beledigde klager de beambte. Klager erkende de feiten ter tuchtzitting. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de in het RAD beschreven feiten bewezen achtte. De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing echter gebrekkig op de volgende punten. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet). In de motivering van de tuchtbeslissing wordt gezegd: “Meer bepaald: (klager) was niet akkoord met zijn douchetijd en ging verbaal de hoogte in ten aanzien van de PBA. Door zijn gedrag werd een vorm van wanorde gecreëerd die ervoor zorgde dat de normale, dagelijkse werking verstoord werd.” De klachtencommissie leest in het RAD niet dat de normale, dagelijkse werking verstoord werd. Integendeel, door de kordate houding van de beambte werd verdere escalatie vermeden en was er eigenlijk geen probleem voor de verdere werking. Verderop in de motivering wordt daarnaast gezegd: “Ter zitting erkent betrokkene de PBA te hebben uitgescholden doch kadert dit in de omstandigheden en verklaart dat hij reageerde op een verbale uitlating van de PBA. Ofschoon het een reactie betrof kan het uitschelden van een PBA niet getolereerd worden. De feiten worden als bewezen beschouwd.” De klachtencommissie meent dat deze motivering eigenlijk slaat op de tuchtinbreuk van het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als een tuchtinbreuk van artikel 129, 5° Basiswet niet afdoende gemotiveerd.

De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. In het voorliggend dossier stelt de directie dat ze de feiten toerekenbaar acht omdat klager ter tuchtzitting helder communiceerde. Hij lijkt goed te beseffen wat en wanneer er fout liep. Hij kan vertellen wat er gebeurd is, waarom hij dat deed en waarom hij ervoor koos de door hem gekende regels te overtreden. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet dan ook niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.