Ga verder naar de inhoud

KC21/25-0111

Gegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De drugs zijn door iemand anders in zijn kast gestopt terwijl hij op wandeling was.

Wat betreft de opzettelijke aantasting van de orde meent de klachtencommissie dat de directeur in redelijkheid en billijkheid deze tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
Wat betreft het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties acht de klachtencommissie deze tuchtrechtelijke inbreuk onvoldoende bewezen: klager heeft van zodra hij kennis had van het RAD ontkend dat dit aan hem toebehoort en verklaard dat zijn celgenoot dit in zijn persoonlijke kast zou hebben gestoken uit wraak voor een eerdere ruzie; uit het meldingsverslag blijkt dat de beambte die het oorspronkelijke RAD heeft opgesteld zelf twijfelt over de toerekenbaarheid van de gevonden drugs aan klager én de drugshond geen reactie heeft gegeven op klager, maar wel op de celgenoot en dit voor dezelfde soort drugs als waarover de klacht van klager gaat (een bruin blokje hasj); klager heeft gedurende zijn periode in detentie nog geen enkele tuchtrechtelijke veroordeling in verband met drugs heeft opgelopen. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing voor wat betreft de tenlastelegging met betrekking tot de verboden substanties.

De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst van de feiten.

Om deze redenen is de klacht gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing wat betreft “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en beveelt de aanpassing ervan in het tuchtregister.